BWBR0030951
Geldig vanaf 2012-01-01
Artikel 28
Organisatie- en mandaatbesluit Infrastructuur en Milieu 2012
1. Onverminderd artikel 22, eerste lid, wordt mandaat betreffende de volgende bevoegdheden bij uitsluiting van de overige diensthoofden verleend aan de volgende diensthoofden:
a. de directeuren-generaal Bereikbaarheid, Milieu en Internationaal, Ruimte en Water en Rijkswaterstaat en de inspecteur-generaal Leefomgeving en Transport: het vaststellen, wijzigen of intrekken van beleidsregels met betrekking tot de gemandateerde bevoegdheid;
het vaststellen, wijzigen of intrekken van beleidsregels met betrekking tot de gemandateerde bevoegdheid;
b. de directeuren-generaal Bereikbaarheid, Milieu en Internationaal, Ruimte en Water en Rijkswaterstaat, de hoofddirecteuren Bestuurlijke en Juridische Zaken en Financiën, Management en Control en de inspecteur-generaal Leefomgeving en Transport: het nemen van een besluit op verzoek om informatie, bedoeld in de Wet openbaarheid van bestuur;
c. de hoofddirecteur Bestuurlijke en Juridische Zaken: de bevoegdheden inzake het behandelen van bezwaarschriften en het vertegenwoordigen van de bewindspersoon in bestuursrechtelijke procedures, bedoeld in artikel 7, achtste lid, onder c en d, met uitzondering van bezwaarschriften en bestuursrechtelijke procedures die verband houden met de taken van de Inspectie Leefomgeving en Transport en het directoraat-generaal Rijkswaterstaat, alsmede de ambtelijke rechtspositie;
d. de algemeen directeur Integrale Bedrijfsvoering IenM: i. het voeren van de personeels- en salarisadministratie voor alle onderdelen, genoemd in artikel 2;
ii. het vaststellen van ordeningsplannen, archiefcodes, alsmede vernietigingslijsten voor de onderdelen, genoemd in artikel 2, met uitzondering van het Planbureau voor de Leefomgeving, het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut, de directie Nederlandse emissieautoriteit en het directoraat-generaal Rijkswaterstaat;
iii. de zorg voor gebouwgebonden veiligheid, waaronder brandpreventie en bedrijfshulpverlening bij alle gebouwen en vitale objecten van het ministerie, met uitzondering van die gebouwen waarvan het gebouwbeheer onder verantwoordelijkheid staat van het Planbureau voor de Leefomgeving, het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut, de Inspectie Leefomgeving en Transport en het directoraat-generaal Rijkswaterstaat; en
i. het voeren van de personeels- en salarisadministratie voor alle onderdelen, genoemd in artikel 2;
ii. het vaststellen van ordeningsplannen, archiefcodes, alsmede vernietigingslijsten voor de onderdelen, genoemd in artikel 2, met uitzondering van het Planbureau voor de Leefomgeving, het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut, de directie Nederlandse emissieautoriteit en het directoraat-generaal Rijkswaterstaat;
iii. de zorg voor gebouwgebonden veiligheid, waaronder brandpreventie en bedrijfshulpverlening bij alle gebouwen en vitale objecten van het ministerie, met uitzondering van die gebouwen waarvan het gebouwbeheer onder verantwoordelijkheid staat van het Planbureau voor de Leefomgeving, het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut, de Inspectie Leefomgeving en Transport en het directoraat-generaal Rijkswaterstaat; en
e. de directeur-generaal Rijkswaterstaat: de inkoop van energie voor gebruik door het ministerie.
2. In afwijking van artikel 23, tweede lid, kan geen ondermandaat worden verleend ten aanzien van de in het eerste lid, onder a en b, bedoelde bevoegdheden. De vorige zin is niet van toepassing op de directeur-generaal Rijkswaterstaat, voor zover het de in het eerste lid, onder b, bedoelde bevoegdheid betreft.
a. de directeuren-generaal Bereikbaarheid, Milieu en Internationaal, Ruimte en Water en Rijkswaterstaat en de inspecteur-generaal Leefomgeving en Transport: het vaststellen, wijzigen of intrekken van beleidsregels met betrekking tot de gemandateerde bevoegdheid;
het vaststellen, wijzigen of intrekken van beleidsregels met betrekking tot de gemandateerde bevoegdheid;
b. de directeuren-generaal Bereikbaarheid, Milieu en Internationaal, Ruimte en Water en Rijkswaterstaat, de hoofddirecteuren Bestuurlijke en Juridische Zaken en Financiën, Management en Control en de inspecteur-generaal Leefomgeving en Transport: het nemen van een besluit op verzoek om informatie, bedoeld in de Wet openbaarheid van bestuur;
c. de hoofddirecteur Bestuurlijke en Juridische Zaken: de bevoegdheden inzake het behandelen van bezwaarschriften en het vertegenwoordigen van de bewindspersoon in bestuursrechtelijke procedures, bedoeld in artikel 7, achtste lid, onder c en d, met uitzondering van bezwaarschriften en bestuursrechtelijke procedures die verband houden met de taken van de Inspectie Leefomgeving en Transport en het directoraat-generaal Rijkswaterstaat, alsmede de ambtelijke rechtspositie;
d. de algemeen directeur Integrale Bedrijfsvoering IenM: i. het voeren van de personeels- en salarisadministratie voor alle onderdelen, genoemd in artikel 2;
ii. het vaststellen van ordeningsplannen, archiefcodes, alsmede vernietigingslijsten voor de onderdelen, genoemd in artikel 2, met uitzondering van het Planbureau voor de Leefomgeving, het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut, de directie Nederlandse emissieautoriteit en het directoraat-generaal Rijkswaterstaat;
iii. de zorg voor gebouwgebonden veiligheid, waaronder brandpreventie en bedrijfshulpverlening bij alle gebouwen en vitale objecten van het ministerie, met uitzondering van die gebouwen waarvan het gebouwbeheer onder verantwoordelijkheid staat van het Planbureau voor de Leefomgeving, het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut, de Inspectie Leefomgeving en Transport en het directoraat-generaal Rijkswaterstaat; en
i. het voeren van de personeels- en salarisadministratie voor alle onderdelen, genoemd in artikel 2;
ii. het vaststellen van ordeningsplannen, archiefcodes, alsmede vernietigingslijsten voor de onderdelen, genoemd in artikel 2, met uitzondering van het Planbureau voor de Leefomgeving, het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut, de directie Nederlandse emissieautoriteit en het directoraat-generaal Rijkswaterstaat;
iii. de zorg voor gebouwgebonden veiligheid, waaronder brandpreventie en bedrijfshulpverlening bij alle gebouwen en vitale objecten van het ministerie, met uitzondering van die gebouwen waarvan het gebouwbeheer onder verantwoordelijkheid staat van het Planbureau voor de Leefomgeving, het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut, de Inspectie Leefomgeving en Transport en het directoraat-generaal Rijkswaterstaat; en
e. de directeur-generaal Rijkswaterstaat: de inkoop van energie voor gebruik door het ministerie.
2. In afwijking van artikel 23, tweede lid, kan geen ondermandaat worden verleend ten aanzien van de in het eerste lid, onder a en b, bedoelde bevoegdheden. De vorige zin is niet van toepassing op de directeur-generaal Rijkswaterstaat, voor zover het de in het eerste lid, onder b, bedoelde bevoegdheid betreft.