BWBR0030951
Geldig vanaf 2012-01-01
Artikel 26
Organisatie- en mandaatbesluit Infrastructuur en Milieu 2012
1. Aan de bewindspersoon is voorbehouden het afdoen en ondertekenen van stukken gericht tot:
a. de Koning;
b. de Raad van Ministers van het Koninkrijk, de Raad van Ministers of een daaruit gevormde onderraad of een commissie;
c. een minister of een staatssecretaris;
d. een autoriteit in binnen- of buitenland, gelijk of hoger in rang dan een minister of een staatssecretaris;
e. de voorzitter van de Eerste of de Tweede Kamer der Staten-Generaal of de voorzitter van een uit een van die Kamers gevormde commissie;
f. de vicepresident van de Raad van State; en
g. de president van Algemene Rekenkamer.
2. Het eerste lid geldt niet ten aanzien van handelingen ten opzichte van een van de in het eerste lid, onder f en g genoemden, voor zover het stukken betreft die louter van informatieve aard zijn.
3. Aan de bewindspersoon is voorbehouden de bevoegdheid tot het vaststellen, wijzigen of intrekken van algemeen verbindende voorschriften.
4. Aan de bewindspersoon is voorbehouden het instellen van beroep tegen een besluit van een ander bestuursorgaan, voor zover de bewindspersoon belanghebbende is op grond van <a href="/wet/BWBR0005537/artikel/1:2" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 1:2, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht</a>.
a. de Koning;
b. de Raad van Ministers van het Koninkrijk, de Raad van Ministers of een daaruit gevormde onderraad of een commissie;
c. een minister of een staatssecretaris;
d. een autoriteit in binnen- of buitenland, gelijk of hoger in rang dan een minister of een staatssecretaris;
e. de voorzitter van de Eerste of de Tweede Kamer der Staten-Generaal of de voorzitter van een uit een van die Kamers gevormde commissie;
f. de vicepresident van de Raad van State; en
g. de president van Algemene Rekenkamer.
2. Het eerste lid geldt niet ten aanzien van handelingen ten opzichte van een van de in het eerste lid, onder f en g genoemden, voor zover het stukken betreft die louter van informatieve aard zijn.
3. Aan de bewindspersoon is voorbehouden de bevoegdheid tot het vaststellen, wijzigen of intrekken van algemeen verbindende voorschriften.
4. Aan de bewindspersoon is voorbehouden het instellen van beroep tegen een besluit van een ander bestuursorgaan, voor zover de bewindspersoon belanghebbende is op grond van <a href="/wet/BWBR0005537/artikel/1:2" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 1:2, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht</a>.