BWBR0030951
Geldig vanaf 2012-01-01
Artikel 31
Organisatie- en mandaatbesluit Infrastructuur en Milieu 2012
1. De uitoefening van bevoegdheden die bij of krachtens dit besluit zijn verleend, geschiedt met inachtneming van:
a. de door de bewindspersoon, secretaris-generaal, diensthoofden, dienstonderdeelhoofden en secretarissen van de adviesorganen gegeven algemene of bijzondere instructies;
b. de gestelde kaders ten aanzien van inkoop en aanbesteding;
c. de van toepassing zijnde begrotingswet en de daarbij gegeven financiële ruimte;
d. de toegekende budgetten op basis van het geldende jaarplan;
e. het bepaalde bij of krachtens de Comptabiliteitswet 2001 en de aanwijzingen van de hoofddirecteur Financiën, Management en Control op grond van die wet en de daarop berustende regelgeving, waaronder het Besluit taak FEZ;
f. het Besluit privaatrechtelijke rechtshandelingen 1996; en
g. de overige ter zake geldende wet- en regelgeving en beleidsregels.
2. Een functionaris die krachtens overeenkomst naar burgerlijk recht werkzaam is bij het ministerie, oefent de aan zijn functie verleende bevoegdheden slechts uit wanneer dat voor een goede functievervulling strikt noodzakelijk is en wanneer in de overeenkomst met de functionaris waarborgen voor een goede uitoefening van bevoegdheden zijn opgenomen.
a. de door de bewindspersoon, secretaris-generaal, diensthoofden, dienstonderdeelhoofden en secretarissen van de adviesorganen gegeven algemene of bijzondere instructies;
b. de gestelde kaders ten aanzien van inkoop en aanbesteding;
c. de van toepassing zijnde begrotingswet en de daarbij gegeven financiële ruimte;
d. de toegekende budgetten op basis van het geldende jaarplan;
e. het bepaalde bij of krachtens de Comptabiliteitswet 2001 en de aanwijzingen van de hoofddirecteur Financiën, Management en Control op grond van die wet en de daarop berustende regelgeving, waaronder het Besluit taak FEZ;
f. het Besluit privaatrechtelijke rechtshandelingen 1996; en
g. de overige ter zake geldende wet- en regelgeving en beleidsregels.
2. Een functionaris die krachtens overeenkomst naar burgerlijk recht werkzaam is bij het ministerie, oefent de aan zijn functie verleende bevoegdheden slechts uit wanneer dat voor een goede functievervulling strikt noodzakelijk is en wanneer in de overeenkomst met de functionaris waarborgen voor een goede uitoefening van bevoegdheden zijn opgenomen.