BWBR0021281
Geldig vanaf 2015-04-30
Artikel 4:58
Regeling LNV-subsidies
1. De aanvraag gaat vergezeld van een rapportage omvattende:
a. een investerings- en financieringsplan, met een gedegen onderbouwing van de verenigbaarheid van de investeringen met de artikelen 25 en 35 van verordening nr. 1198/2006;
b. een overzicht van de stand van leningen en kredieten voor uitvoering van het investeringsplan;
c. een specificatie van de zekerheden, vergezeld van een taxatierapport ter zake van de executiewaarde van de onderscheiden roerende en onroerende goederen die tot zekerheid strekken, alsmede een specificatie van de totale financiering inclusief de daaraan verbonden voorwaarden na uitvoering van het investeringsplan;
d. een berekening van het eigen en aansprakelijk vermogen;
e. een door de bank getoetste, op de ondernemerscapaciteiten van de aanvrager afgestemde begroting, waaruit blijkt dat aanvrager voldoet aan het gestelde in artikel 4:55, eerste lid, onderdelen b en c, en derde lid, onderdelen b en c;
f. de boekhoudverslagen en de aangiften inkomstenbelasting over de voorliggende drie boekjaren, indien beschikbaar;
g. een toelichting van de bank op de verstrekte gegevens;
2. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid kan de Minister besluiten dat de aanvrager zijn aanvraag aanvult met een taxatierapport ter zake van de executiewaarde van de onderscheiden roerende en onroerende goederen die tot zekerheid strekken, dat niet ouder is dan zes maanden op de dag van indiening van de aanvraag, en is opgesteld door een ter zake kundig en onafhankelijk taxateur.
3. De aanvrager is voorts verplicht alle bescheiden en informatie te verstrekken die door de Minister noodzakelijk worden geacht.
4. De artikelen 1:8en 1:9zijn van overeenkomstige toepassing.
a. een investerings- en financieringsplan, met een gedegen onderbouwing van de verenigbaarheid van de investeringen met de artikelen 25 en 35 van verordening nr. 1198/2006;
b. een overzicht van de stand van leningen en kredieten voor uitvoering van het investeringsplan;
c. een specificatie van de zekerheden, vergezeld van een taxatierapport ter zake van de executiewaarde van de onderscheiden roerende en onroerende goederen die tot zekerheid strekken, alsmede een specificatie van de totale financiering inclusief de daaraan verbonden voorwaarden na uitvoering van het investeringsplan;
d. een berekening van het eigen en aansprakelijk vermogen;
e. een door de bank getoetste, op de ondernemerscapaciteiten van de aanvrager afgestemde begroting, waaruit blijkt dat aanvrager voldoet aan het gestelde in artikel 4:55, eerste lid, onderdelen b en c, en derde lid, onderdelen b en c;
f. de boekhoudverslagen en de aangiften inkomstenbelasting over de voorliggende drie boekjaren, indien beschikbaar;
g. een toelichting van de bank op de verstrekte gegevens;
2. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid kan de Minister besluiten dat de aanvrager zijn aanvraag aanvult met een taxatierapport ter zake van de executiewaarde van de onderscheiden roerende en onroerende goederen die tot zekerheid strekken, dat niet ouder is dan zes maanden op de dag van indiening van de aanvraag, en is opgesteld door een ter zake kundig en onafhankelijk taxateur.
3. De aanvrager is voorts verplicht alle bescheiden en informatie te verstrekken die door de Minister noodzakelijk worden geacht.
4. De artikelen 1:8en 1:9zijn van overeenkomstige toepassing.