BWBR0021281
Geldig vanaf 2015-04-30
Artikel 4:6
Regeling LNV-subsidies
1. In afwijking van artikel 1:14, eerste lid, dient de subsidieontvanger binnen vier weken na afloop van de termijn, bedoeld in artikel 4:5, eerste lid, een aanvraag tot subsidievaststelling in.
2. De aanvraag gaat vergezeld van:
a. een verklaring van een ambtenaar van de Algemene Inspectiedienst dat is voldaan aan: 1°. artikel 4:5, eerste lid, onderdeel a, voor zover het betreft de sloop van het vissersvaartuig of het verwijderen van de aanwezige vistuigen en de overige apparatuur specifiek bestemd en geschikt voor de visserij, en
2°. artikel 4:5, eerste lid, onderdeel b;
1°. artikel 4:5, eerste lid, onderdeel a, voor zover het betreft de sloop van het vissersvaartuig of het verwijderen van de aanwezige vistuigen en de overige apparatuur specifiek bestemd en geschikt voor de visserij, en
2°. artikel 4:5, eerste lid, onderdeel b;
b. overige bescheiden waarmee naar het oordeel van de Minister wordt aangetoond dat aan de in artikel 4:5, eerste lid, bedoelde verplichtingen is voldaan;
c. het originele exemplaar van de ten aanzien van het betreffende vissersvaartuig toegekende visvergunning;
d. het originele exemplaar van de garnalenvergunning en van de vergunning voor het vissen met een sleepnet in de Oosterschelde, voor zover deze vergunningen ten aanzien van het betreffende vissersvaartuig zijn toegekend;
e. het originele exemplaar van de vismachtiging, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de controleverordening, bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de Uitvoeringregeling zeevisserij, voor zover ten aanzien van het desbetreffende vissersvaartuig een vismachtiging is toegekend;
f. een taxatierapport van het vaartuig van een beëdigd taxateur, indien de visserijactiviteit beëindigd wordt overeenkomstig artikel 4:2, tweede lid, onderdeel b.
2. De aanvraag gaat vergezeld van:
a. een verklaring van een ambtenaar van de Algemene Inspectiedienst dat is voldaan aan: 1°. artikel 4:5, eerste lid, onderdeel a, voor zover het betreft de sloop van het vissersvaartuig of het verwijderen van de aanwezige vistuigen en de overige apparatuur specifiek bestemd en geschikt voor de visserij, en
2°. artikel 4:5, eerste lid, onderdeel b;
1°. artikel 4:5, eerste lid, onderdeel a, voor zover het betreft de sloop van het vissersvaartuig of het verwijderen van de aanwezige vistuigen en de overige apparatuur specifiek bestemd en geschikt voor de visserij, en
2°. artikel 4:5, eerste lid, onderdeel b;
b. overige bescheiden waarmee naar het oordeel van de Minister wordt aangetoond dat aan de in artikel 4:5, eerste lid, bedoelde verplichtingen is voldaan;
c. het originele exemplaar van de ten aanzien van het betreffende vissersvaartuig toegekende visvergunning;
d. het originele exemplaar van de garnalenvergunning en van de vergunning voor het vissen met een sleepnet in de Oosterschelde, voor zover deze vergunningen ten aanzien van het betreffende vissersvaartuig zijn toegekend;
e. het originele exemplaar van de vismachtiging, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de controleverordening, bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de Uitvoeringregeling zeevisserij, voor zover ten aanzien van het desbetreffende vissersvaartuig een vismachtiging is toegekend;
f. een taxatierapport van het vaartuig van een beëdigd taxateur, indien de visserijactiviteit beëindigd wordt overeenkomstig artikel 4:2, tweede lid, onderdeel b.