BWBR0021281
Geldig vanaf 2015-04-30
Artikel 2:83
Regeling LNV-subsidies
1. Op de verstrekking van de garantstelling, bedoeld in artikel 2:82, zijn van toepassing:
a. artikel 2:71, aanhef en onderdelen a, c, d, f en h;
b. artikel 2:72, eerste tot en met derde lid;
c. artikel 2:73, eerste lid, aanhef en onderdeel a;
d. artikel 2:74;
e. artikel 2:76.
2. Op de verstrekking van de garantstelling, bedoeld in artikel 2:82, is van overeenkomstige toepassing artikel 2:71, aanhef en onderdeel b.
3. De garantstelling, bedoeld in artikel 2:82, wordt uitsluitend verstrekt:
a. aan een landbouwonderneming die: 1° na 1 juli 2008 in liquiditeitsproblemen is gekomen, of
2° in zoverre in afwijking van artikel 2:1a, op 1 juli 2008 niet in moeilijkheden verkeerde, doch vervolgens in moeilijkheden is gekomen als bedoeld in punt 2.2, onderdeel d, van de Tijdelijke communautaire kaderregeling 2011, en de betreffende landbouwonderneming daardoor op het tijdstip van de aanvraag de benodigde zekerheden ontbeert om volgens normaal bankgebruik financiering voor werkkapitaal te krijgen;
1° na 1 juli 2008 in liquiditeitsproblemen is gekomen, of
2° in zoverre in afwijking van artikel 2:1a, op 1 juli 2008 niet in moeilijkheden verkeerde, doch vervolgens in moeilijkheden is gekomen als bedoeld in punt 2.2, onderdeel d, van de Tijdelijke communautaire kaderregeling 2011,
b. ten behoeve van een lening van ten hoogste € 850.000 die een looptijd heeft van maximaal drie jaar en uitsluitend bestemd is voor financiering van werkkapitaal dat de onderneming de eerstkomende 12 maanden na indiening van de aanvraag tot garantstelling nodig heeft;
c. indien aan de landbouwonderneming na 1 juli 2008 ten minste twee jaar uitstel van betaling is verleend op alle door de landbouwonderneming met banken afgesloten leningen.
4. Artikel 2:2, aanhef en onderdeel a, is niet van toepassing op de verstrekking van de garantstelling, bedoeld in artikel 2:82, voor zover het kosten voor dieren, planten en de aanplant van planten voor niet-permanente gewassen betreft.
5. Per onderneming kan slechts één garantstelling worden verstrekt.
6. Onder landbouwonderneming in moeilijkheden als bedoeld in het derde lid, wordt verstaan een landbouwonderneming in moeilijkheden zoals gedefinieerd in punt 2.1 van de communautaire richtsnoeren inzake reddings- en herstructureringssteun aan ondernemingen in moeilijkheden (PbEU C 244).
a. artikel 2:71, aanhef en onderdelen a, c, d, f en h;
b. artikel 2:72, eerste tot en met derde lid;
c. artikel 2:73, eerste lid, aanhef en onderdeel a;
d. artikel 2:74;
e. artikel 2:76.
2. Op de verstrekking van de garantstelling, bedoeld in artikel 2:82, is van overeenkomstige toepassing artikel 2:71, aanhef en onderdeel b.
3. De garantstelling, bedoeld in artikel 2:82, wordt uitsluitend verstrekt:
a. aan een landbouwonderneming die: 1° na 1 juli 2008 in liquiditeitsproblemen is gekomen, of
2° in zoverre in afwijking van artikel 2:1a, op 1 juli 2008 niet in moeilijkheden verkeerde, doch vervolgens in moeilijkheden is gekomen als bedoeld in punt 2.2, onderdeel d, van de Tijdelijke communautaire kaderregeling 2011, en de betreffende landbouwonderneming daardoor op het tijdstip van de aanvraag de benodigde zekerheden ontbeert om volgens normaal bankgebruik financiering voor werkkapitaal te krijgen;
1° na 1 juli 2008 in liquiditeitsproblemen is gekomen, of
2° in zoverre in afwijking van artikel 2:1a, op 1 juli 2008 niet in moeilijkheden verkeerde, doch vervolgens in moeilijkheden is gekomen als bedoeld in punt 2.2, onderdeel d, van de Tijdelijke communautaire kaderregeling 2011,
b. ten behoeve van een lening van ten hoogste € 850.000 die een looptijd heeft van maximaal drie jaar en uitsluitend bestemd is voor financiering van werkkapitaal dat de onderneming de eerstkomende 12 maanden na indiening van de aanvraag tot garantstelling nodig heeft;
c. indien aan de landbouwonderneming na 1 juli 2008 ten minste twee jaar uitstel van betaling is verleend op alle door de landbouwonderneming met banken afgesloten leningen.
4. Artikel 2:2, aanhef en onderdeel a, is niet van toepassing op de verstrekking van de garantstelling, bedoeld in artikel 2:82, voor zover het kosten voor dieren, planten en de aanplant van planten voor niet-permanente gewassen betreft.
5. Per onderneming kan slechts één garantstelling worden verstrekt.
6. Onder landbouwonderneming in moeilijkheden als bedoeld in het derde lid, wordt verstaan een landbouwonderneming in moeilijkheden zoals gedefinieerd in punt 2.1 van de communautaire richtsnoeren inzake reddings- en herstructureringssteun aan ondernemingen in moeilijkheden (PbEU C 244).