BWBR0021281
Geldig vanaf 2015-04-30
Artikel 2:71
Regeling LNV-subsidies
Geen garantstelling wordt verstrekt:
a. voor de terugbetaling van leningen die zijn gericht op de herfinanciering van schulden, daaronder mede begrepen niet door een bank verstrekte leningen alsmede leningen welke worden aangegaan om kapitaalbehoefte, ontstaan door het uittreden van een commanditaire vennoot uit een commanditaire vennootschap, te dekken, behoudens ingeval van overmacht;
b. indien ten aanzien van de investeringen reeds een krediet is verstrekt of onvoorwaardelijk is toegezegd;
c. aan andere landbouwondernemingen dan kleine of middelgrote ondernemingen;
d. indien de landbouwonderneming een bruto-jaaromzet heeft of zal hebben die voor de helft of minder wordt verkregen uit de primaire productie van landbouwproducten;
e. indien aan de aanvrager reeds een garantstelling is verstrekt door de Minister of het bestuur van de Stichting Borgstellingsfonds voor de Landbouw, en: – die garantstelling is verleend in het tijdvak van twee jaren voorafgaand aan de datum van ontvangst van de aanvraag, of
– met garantstelling waarop de aanvraag betrekking heeft het totaal aan garantstellingen, verleend aan de landbouwonderneming € 2.500.000 of hoger wordt;
– die garantstelling is verleend in het tijdvak van twee jaren voorafgaand aan de datum van ontvangst van de aanvraag, of
– met garantstelling waarop de aanvraag betrekking heeft het totaal aan garantstellingen, verleend aan de landbouwonderneming € 2.500.000 of hoger wordt;
f. voor de terugbetaling van leningen met betrekking tot een landbouwonderneming die wordt uitgeoefend door een commanditaire vennootschap, tenzij uit de betrokken vennootschapsovereenkomst blijkt dat deze ten minste is aangegaan voor een periode, overeenkomende met de looptijd van de lening, waarvoor de aanvraag wordt ingediend, en in elk geval gedurende deze looptijd niet kan worden opgezegd;
g. indien het bancair aansprakelijk vermogen van de aanvrager minder dan 15% bedraagt van het balanstotaal;
h. indien de verstrekking van de garantstelling de landbouwonderneming naar het oordeel van de Minister onvoldoende liquiditeitstoename oplevert;
i. indien de begroting van de landbouwonderneming naar het oordeel van de Minister onvoldoende middelen bevat om eventuele exploitatietekorten van de landbouwonderneming op te vangen;
j. indien de begroting van de landbouwonderneming naar het oordeel van de Minister onvoldoende middelen bevat om in de toekomst noodzakelijke investeringen te kunnen verrichten in de landbouwonderneming;
k. ingeval de lening waarvoor de garantstelling wordt verstrekt in totaal minder dan € 50.000 bedraagt.
a. voor de terugbetaling van leningen die zijn gericht op de herfinanciering van schulden, daaronder mede begrepen niet door een bank verstrekte leningen alsmede leningen welke worden aangegaan om kapitaalbehoefte, ontstaan door het uittreden van een commanditaire vennoot uit een commanditaire vennootschap, te dekken, behoudens ingeval van overmacht;
b. indien ten aanzien van de investeringen reeds een krediet is verstrekt of onvoorwaardelijk is toegezegd;
c. aan andere landbouwondernemingen dan kleine of middelgrote ondernemingen;
d. indien de landbouwonderneming een bruto-jaaromzet heeft of zal hebben die voor de helft of minder wordt verkregen uit de primaire productie van landbouwproducten;
e. indien aan de aanvrager reeds een garantstelling is verstrekt door de Minister of het bestuur van de Stichting Borgstellingsfonds voor de Landbouw, en: – die garantstelling is verleend in het tijdvak van twee jaren voorafgaand aan de datum van ontvangst van de aanvraag, of
– met garantstelling waarop de aanvraag betrekking heeft het totaal aan garantstellingen, verleend aan de landbouwonderneming € 2.500.000 of hoger wordt;
– die garantstelling is verleend in het tijdvak van twee jaren voorafgaand aan de datum van ontvangst van de aanvraag, of
– met garantstelling waarop de aanvraag betrekking heeft het totaal aan garantstellingen, verleend aan de landbouwonderneming € 2.500.000 of hoger wordt;
f. voor de terugbetaling van leningen met betrekking tot een landbouwonderneming die wordt uitgeoefend door een commanditaire vennootschap, tenzij uit de betrokken vennootschapsovereenkomst blijkt dat deze ten minste is aangegaan voor een periode, overeenkomende met de looptijd van de lening, waarvoor de aanvraag wordt ingediend, en in elk geval gedurende deze looptijd niet kan worden opgezegd;
g. indien het bancair aansprakelijk vermogen van de aanvrager minder dan 15% bedraagt van het balanstotaal;
h. indien de verstrekking van de garantstelling de landbouwonderneming naar het oordeel van de Minister onvoldoende liquiditeitstoename oplevert;
i. indien de begroting van de landbouwonderneming naar het oordeel van de Minister onvoldoende middelen bevat om eventuele exploitatietekorten van de landbouwonderneming op te vangen;
j. indien de begroting van de landbouwonderneming naar het oordeel van de Minister onvoldoende middelen bevat om in de toekomst noodzakelijke investeringen te kunnen verrichten in de landbouwonderneming;
k. ingeval de lening waarvoor de garantstelling wordt verstrekt in totaal minder dan € 50.000 bedraagt.