BWBR0021281
Geldig vanaf 2015-04-30
Artikel 2:73
Regeling LNV-subsidies
1. De garantstelling wordt uitsluitend verstrekt ten behoeve van een lening die:
a. is verstrekt door een bank waarmee de Minister een raamovereenkomst, waarin de rechten en plichten van de Minister en de bank zijn vastgelegd, heeft gesloten;
b. een looptijd heeft van ten hoogste twintig jaar, met dien verstande dat de bank de looptijd met ten hoogste twee jaar kan verlengen in geval van betalingsmoeilijkheden, en
c. lineair wordt afgelost.
2. Uiterlijk één jaar na de datum van de beschikking tot verlening van de garantstelling neemt de subsidie-ontvanger de lening waarop de garantstelling betrekking heeft volledig op.
3. Bij de bepaling of de landbouwonderneming naar het oordeel van de Minister voldoende liquiditeitstoename oplevert, wordt uitgegaan van een, zo nodig door de Minister gewijzigde, begroting die op de ondernemerscapaciteiten van de aanvrager is afgestemd en waaruit onder meer blijkt dat:
a. rente- en aflossingsverplichtingen, overige bedrijfsuitgaven, belastingen, premies en, voor zover geen sprake is van inkomsten uit tegenwoordige of vroegere arbeid van buiten de landbouwonderneming waaruit deze kunnen worden bestreden, gezinsbestedingen kunnen worden betaald;
b. de noodzakelijke vervangingsinvesteringen kunnen worden gerealiseerd;
c. de liquiditeitstoename voldoende ruimte biedt om tegenvallers in de exploitatie op te vangen alsmede om aan toekomstige financieringsverplichtingen, onder andere als gevolg van noodzakelijke diepte- of uitbreidingsinvesteringen, te kunnen voldoen.
a. is verstrekt door een bank waarmee de Minister een raamovereenkomst, waarin de rechten en plichten van de Minister en de bank zijn vastgelegd, heeft gesloten;
b. een looptijd heeft van ten hoogste twintig jaar, met dien verstande dat de bank de looptijd met ten hoogste twee jaar kan verlengen in geval van betalingsmoeilijkheden, en
c. lineair wordt afgelost.
2. Uiterlijk één jaar na de datum van de beschikking tot verlening van de garantstelling neemt de subsidie-ontvanger de lening waarop de garantstelling betrekking heeft volledig op.
3. Bij de bepaling of de landbouwonderneming naar het oordeel van de Minister voldoende liquiditeitstoename oplevert, wordt uitgegaan van een, zo nodig door de Minister gewijzigde, begroting die op de ondernemerscapaciteiten van de aanvrager is afgestemd en waaruit onder meer blijkt dat:
a. rente- en aflossingsverplichtingen, overige bedrijfsuitgaven, belastingen, premies en, voor zover geen sprake is van inkomsten uit tegenwoordige of vroegere arbeid van buiten de landbouwonderneming waaruit deze kunnen worden bestreden, gezinsbestedingen kunnen worden betaald;
b. de noodzakelijke vervangingsinvesteringen kunnen worden gerealiseerd;
c. de liquiditeitstoename voldoende ruimte biedt om tegenvallers in de exploitatie op te vangen alsmede om aan toekomstige financieringsverplichtingen, onder andere als gevolg van noodzakelijke diepte- of uitbreidingsinvesteringen, te kunnen voldoen.