BWBR0018516
Geldig vanaf 2007-01-01
Artikel 12f
Uitvoeringsregeling brede doeluitkering sociaal, integratie en veiligheid
1. De uitkeringen aan de gemeenten Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, Utrecht, Eindhoven, Tilburg, Arnhem, Enschede, Zaanstad, Dordrecht en Nijmegen kunnen ten laste van de middelen die vanuit hoofdstuk XVI van de Rijksbegroting ter beschikking worden gesteld voor het vergroten van de sportdeelname onder allochtone jeugd op de volgende wijze worden verhoogd:
a. voor Amsterdam met ten hoogste € 3.571.598,–;
b. voor Rotterdam met ten hoogste € 2.942.561,–;
c. voor Den Haag met ten hoogste € 2.108.468,–;
d. voor Utrecht met ten hoogste € 799.779,–;
e. voor Eindhoven met ten hoogste € 428.098,–;
f. voor Tilburg met ten hoogste € 370.978,–;
g. voor Arnhem met ten hoogste € 336.383,–;
h. voor Enschede met ten hoogste € 302.729,–;
i. voor Zaanstad met ten hoogste € 295.324,–;
j. voor Dordrecht met ten hoogste € 276.186,–, en
k. voor Nijmegen met ten hoogste € 267.895,–.
2. Binnen vier weken na inwerkingtreding van deze regeling dienen de colleges van burgemeester en wethouders van de in het eerste lid genoemde gemeenten bij de minister een aanvraag in tot de verhoging, bedoeld in het eerste lid. De aanvraag gaat vergezeld van een wijziging van het meerjaren-ontwikkelingsprogramma. Daarin wordt vastgelegd de in de GSB III periode te bereiken resultaten die bijdragen aan het vergroten van de sportdeelname onder allochtone jeugd. Aanvragen die zijn ingediend voor de inwerkingtreding van dit artikel worden aangemerkt als aanvragen als bedoeld in dit artikel.
3. In de wijziging van het meerjarenprogramma worden de te bereiken resultaten geformuleerd met inachtneming van een of meer door de gemeente te bepalen indicatoren op het gebied van het vergroten van de sportdeelname onder allochtone jeugd.
4. De minister neemt een beschikking over verlening van een in het eerste lid bedoelde verhoging binnen acht weken na de inwerkingtreding van dit artikel. De in het derde lid bedoelde indicator of indicatoren, met bijbehorende overeengekomen resultaten, worden voor elk van de elf in het eerste lid genoemde gemeenten afzonderlijk in de beschikking tot verlening van de verhoging van de uitkering vastgelegd. De verhoging wordt voor 100% aan de indicator of indicatoren toegedeeld met gelijke percentages.
5. De Minister kan de verhoging lager vaststellen dan de bedragen genoemd in het eerste lid, indien de in het ontwikkelingsprogramma opgenomen resultaten naar zijn oordeel daartoe aanleiding geven.
6. De minister geeft niet eerder toepassing aan het vijfde lid dan nadat hij het college van burgemeester en wethouders van de betreffende gemeente heeft geïnformeerd waarom hij voornemens is daartoe over te gaan en hij het college binnen een door hem te bepalen termijn in de gelegenheid heeft gesteld een aanpassing van de wijziging van het ontwikkelingsprogramma in te zenden.
a. voor Amsterdam met ten hoogste € 3.571.598,–;
b. voor Rotterdam met ten hoogste € 2.942.561,–;
c. voor Den Haag met ten hoogste € 2.108.468,–;
d. voor Utrecht met ten hoogste € 799.779,–;
e. voor Eindhoven met ten hoogste € 428.098,–;
f. voor Tilburg met ten hoogste € 370.978,–;
g. voor Arnhem met ten hoogste € 336.383,–;
h. voor Enschede met ten hoogste € 302.729,–;
i. voor Zaanstad met ten hoogste € 295.324,–;
j. voor Dordrecht met ten hoogste € 276.186,–, en
k. voor Nijmegen met ten hoogste € 267.895,–.
2. Binnen vier weken na inwerkingtreding van deze regeling dienen de colleges van burgemeester en wethouders van de in het eerste lid genoemde gemeenten bij de minister een aanvraag in tot de verhoging, bedoeld in het eerste lid. De aanvraag gaat vergezeld van een wijziging van het meerjaren-ontwikkelingsprogramma. Daarin wordt vastgelegd de in de GSB III periode te bereiken resultaten die bijdragen aan het vergroten van de sportdeelname onder allochtone jeugd. Aanvragen die zijn ingediend voor de inwerkingtreding van dit artikel worden aangemerkt als aanvragen als bedoeld in dit artikel.
3. In de wijziging van het meerjarenprogramma worden de te bereiken resultaten geformuleerd met inachtneming van een of meer door de gemeente te bepalen indicatoren op het gebied van het vergroten van de sportdeelname onder allochtone jeugd.
4. De minister neemt een beschikking over verlening van een in het eerste lid bedoelde verhoging binnen acht weken na de inwerkingtreding van dit artikel. De in het derde lid bedoelde indicator of indicatoren, met bijbehorende overeengekomen resultaten, worden voor elk van de elf in het eerste lid genoemde gemeenten afzonderlijk in de beschikking tot verlening van de verhoging van de uitkering vastgelegd. De verhoging wordt voor 100% aan de indicator of indicatoren toegedeeld met gelijke percentages.
5. De Minister kan de verhoging lager vaststellen dan de bedragen genoemd in het eerste lid, indien de in het ontwikkelingsprogramma opgenomen resultaten naar zijn oordeel daartoe aanleiding geven.
6. De minister geeft niet eerder toepassing aan het vijfde lid dan nadat hij het college van burgemeester en wethouders van de betreffende gemeente heeft geïnformeerd waarom hij voornemens is daartoe over te gaan en hij het college binnen een door hem te bepalen termijn in de gelegenheid heeft gesteld een aanpassing van de wijziging van het ontwikkelingsprogramma in te zenden.