BWBR0018516
Geldig vanaf 2007-01-01
Artikel 12c
Uitvoeringsregeling brede doeluitkering sociaal, integratie en veiligheid
1. Indien het bij koninklijke boodschap van 21 september 2005 ingediende voorstel van Wet houdende regels inzake inburgering in de Nederlandse samenleving (Wet inburgering, Kamerstukken I 2005/06, 30 308, nr. A) nadat het tot wet is verheven, in werking treedt, worden de uitkeringen aan alle gemeenten met ingang van de datum van inwerkingtreding van die Wet verhoogd ten laste van de middelen die vanuit hoofdstuk VIII van de Rijksbegroting ter beschikking worden gesteld voor educatie.
2. Het procentuele aandeel van elke gemeente wordt berekend op basis van de <a href="/wet/BWBR0010646/artikel/3.2.1" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikelen 3.2.1. tot en met 3.2.3 van het Uitvoeringsbesluit Web</a>en wordt aan elke gemeente bekendgemaakt in het verleningsbesluit, bedoeld in het vijfde lid.
3. Uiterlijk op 15 november 2006 dienen de colleges van burgemeester en wethouders van de betreffende gemeenten bij Onze Minister een aanvraag in tot de verhoging, bedoeld in het eerste lid. De aanvraag gaat vergezeld van een wijziging van het meerjarenontwikkelingsprogramma.
4. De wijziging van het meerjarenontwikkelingsprogramma voldoet aan de volgende aanvullende eisen:
a. zij bevat een doelgroepenanalyse, waarin wordt aangegeven met welke doelgroepen van de educatie de gemeente te maken heeft, wat de omvang is van de onderscheiden doelgroepen en op welke doelgroep(en) het gemeentelijk beleid wordt gericht, alsmede een overzicht van het aantal deelnemers in de onderscheiden opleidingen educatie;
b. aangegeven wordt welk deel van het budget wordt besteed aan educatie. Indien de gemeente voornemens is tien procent of meer van de voor educatie beschikbaar gestelde middelen niet in te zetten voor educatie, bevat de wijziging van het meerjarenprogramma een motivatie daarvoor, alsmede een gezamenlijke verklaring van het college van burgemeester en wethouders en het betrokken roc, of de betrokken roc’s, waaruit blijkt dat artikel 4.1.3, eerste en tweede lid, van de Uitvoeringsregeling Web in acht is genomen en waaruit tevens blijkt op welke wijze deelnemers in staat worden gesteld hun opleiding af te maken;
c. het te bereiken resultaat wordt geformuleerd op een van de indicatoren, bedoeld in artikel 10, onderdelen d tot en met g. Als de gemeente in de wijziging van het meerjarenontwikkelingsprogramma heeft gekozen voor de indicator, bedoeld in artikel 10, onderdeel g, en daarbij heeft gekozen voor een uitsplitsing in subindicatoren, geeft de wijziging van het meerjarenontwikkelings-programma tevens aan in welke mate de beschikbare middelen worden toegerekend aan elk van die subindicatoren.
5. De minister neemt een beschikking tot verlening van een in het eerste lid respectievelijk in het negende lid bedoelde verhoging binnen acht weken na het tijdstip waarop de in het tweede lid respectievelijk in het negende lid bedoelde aanvraag is ontvangen. De verhoging wordt in zijn geheel toegerekend aan de gekozen indicator. Als is gekozen voor de indicator, bedoeld in artikel 10, onderdeel g, met daarbij een uitsplitsing in subindicatoren, wordt de verhoging toegerekend aan die subindicatoren op de wijze als aangegeven in de wijziging van het meerjarenontwikkelingsprogramma.
6. De minister kan minder dan 100% verlenen van het in het tweede lid bedoelde procentuele aandeel respectievelijk de in het negende lid bedoelde verhoging, indien de in het ontwikkelingsprogramma opgenomen resultaten naar zijn oordeel daartoe aanleiding geven.
7. De minister geeft niet eerder toepassing aan het vorige lid dan nadat hij het college van burgemeester en wethouders van de betreffende gemeente heeft geïnformeerd waarom hij voornemens is daartoe over te gaan en hij het college binnen een door hem te bepalen termijn in de gelegenheid heeft gesteld een aanpassing van de wijziging van het ontwikkelingsprogramma in te zenden.
8. Indien activiteiten als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0007625/artikel/2.3.4" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 2.3.4, derde lid, onder a van de Wet educatie en beroepsonderwijs</a>, waarvoor het college van burgemeester en wethouders van de betreffende gemeente zich heeft verplicht, niet of niet volledig zijn verricht en het college van burgemeester en wethouders uit dien hoofde in 2006 aanspraken heeft jegens de instelling, besteedt het college van burgemeester en wethouders de uit die aanspraken voortvloeiende en terugontvangen middelen die afkomstig zijn uit de rijksbijdrage 2006 in de resterende GSB III periode opnieuw voor volwasseneneducatie, en verantwoordt het college van burgemeester en wethouders die middelen bij de verantwoording van de uitkering.
9. Indien er sprake is van een verhoging van de uitkering met de in het achtste lid bedoelde middelen, kan dit voor de Minister aanleiding zijn het college van burgemeester en wethouders van de betreffende gemeente te verzoeken hiervoor een aanvraag in te dienen, vergezeld van een wijziging van het meerjarenontwikkelingsprogramma, binnen een door hem te bepalen termijn. In deze wijziging van het ontwikkelingsprogramma wordt het te bereiken resultaat opnieuw geformuleerd met inachtneming van de in het derde lid bedoelde aanvraag en met inachtneming van de in het vierde lid, onderdelen a en c, gestelde eisen.
2. Het procentuele aandeel van elke gemeente wordt berekend op basis van de <a href="/wet/BWBR0010646/artikel/3.2.1" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikelen 3.2.1. tot en met 3.2.3 van het Uitvoeringsbesluit Web</a>en wordt aan elke gemeente bekendgemaakt in het verleningsbesluit, bedoeld in het vijfde lid.
3. Uiterlijk op 15 november 2006 dienen de colleges van burgemeester en wethouders van de betreffende gemeenten bij Onze Minister een aanvraag in tot de verhoging, bedoeld in het eerste lid. De aanvraag gaat vergezeld van een wijziging van het meerjarenontwikkelingsprogramma.
4. De wijziging van het meerjarenontwikkelingsprogramma voldoet aan de volgende aanvullende eisen:
a. zij bevat een doelgroepenanalyse, waarin wordt aangegeven met welke doelgroepen van de educatie de gemeente te maken heeft, wat de omvang is van de onderscheiden doelgroepen en op welke doelgroep(en) het gemeentelijk beleid wordt gericht, alsmede een overzicht van het aantal deelnemers in de onderscheiden opleidingen educatie;
b. aangegeven wordt welk deel van het budget wordt besteed aan educatie. Indien de gemeente voornemens is tien procent of meer van de voor educatie beschikbaar gestelde middelen niet in te zetten voor educatie, bevat de wijziging van het meerjarenprogramma een motivatie daarvoor, alsmede een gezamenlijke verklaring van het college van burgemeester en wethouders en het betrokken roc, of de betrokken roc’s, waaruit blijkt dat artikel 4.1.3, eerste en tweede lid, van de Uitvoeringsregeling Web in acht is genomen en waaruit tevens blijkt op welke wijze deelnemers in staat worden gesteld hun opleiding af te maken;
c. het te bereiken resultaat wordt geformuleerd op een van de indicatoren, bedoeld in artikel 10, onderdelen d tot en met g. Als de gemeente in de wijziging van het meerjarenontwikkelingsprogramma heeft gekozen voor de indicator, bedoeld in artikel 10, onderdeel g, en daarbij heeft gekozen voor een uitsplitsing in subindicatoren, geeft de wijziging van het meerjarenontwikkelings-programma tevens aan in welke mate de beschikbare middelen worden toegerekend aan elk van die subindicatoren.
5. De minister neemt een beschikking tot verlening van een in het eerste lid respectievelijk in het negende lid bedoelde verhoging binnen acht weken na het tijdstip waarop de in het tweede lid respectievelijk in het negende lid bedoelde aanvraag is ontvangen. De verhoging wordt in zijn geheel toegerekend aan de gekozen indicator. Als is gekozen voor de indicator, bedoeld in artikel 10, onderdeel g, met daarbij een uitsplitsing in subindicatoren, wordt de verhoging toegerekend aan die subindicatoren op de wijze als aangegeven in de wijziging van het meerjarenontwikkelingsprogramma.
6. De minister kan minder dan 100% verlenen van het in het tweede lid bedoelde procentuele aandeel respectievelijk de in het negende lid bedoelde verhoging, indien de in het ontwikkelingsprogramma opgenomen resultaten naar zijn oordeel daartoe aanleiding geven.
7. De minister geeft niet eerder toepassing aan het vorige lid dan nadat hij het college van burgemeester en wethouders van de betreffende gemeente heeft geïnformeerd waarom hij voornemens is daartoe over te gaan en hij het college binnen een door hem te bepalen termijn in de gelegenheid heeft gesteld een aanpassing van de wijziging van het ontwikkelingsprogramma in te zenden.
8. Indien activiteiten als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0007625/artikel/2.3.4" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 2.3.4, derde lid, onder a van de Wet educatie en beroepsonderwijs</a>, waarvoor het college van burgemeester en wethouders van de betreffende gemeente zich heeft verplicht, niet of niet volledig zijn verricht en het college van burgemeester en wethouders uit dien hoofde in 2006 aanspraken heeft jegens de instelling, besteedt het college van burgemeester en wethouders de uit die aanspraken voortvloeiende en terugontvangen middelen die afkomstig zijn uit de rijksbijdrage 2006 in de resterende GSB III periode opnieuw voor volwasseneneducatie, en verantwoordt het college van burgemeester en wethouders die middelen bij de verantwoording van de uitkering.
9. Indien er sprake is van een verhoging van de uitkering met de in het achtste lid bedoelde middelen, kan dit voor de Minister aanleiding zijn het college van burgemeester en wethouders van de betreffende gemeente te verzoeken hiervoor een aanvraag in te dienen, vergezeld van een wijziging van het meerjarenontwikkelingsprogramma, binnen een door hem te bepalen termijn. In deze wijziging van het ontwikkelingsprogramma wordt het te bereiken resultaat opnieuw geformuleerd met inachtneming van de in het derde lid bedoelde aanvraag en met inachtneming van de in het vierde lid, onderdelen a en c, gestelde eisen.