BWBR0018516
Geldig vanaf 2007-01-01
Artikel 12a
Uitvoeringsregeling brede doeluitkering sociaal, integratie en veiligheid
1. De uitkeringen aan de gemeenten Den Haag, Rotterdam en Utrecht en Amsterdam worden ten laste van de middelen die vanuit hoofdstuk VI van de Rijksbegroting ter beschikking worden gesteld voor het voorkomen van een criminele loopbaan van allochtone jongeren, op de volgende wijze verhoogd:
a. voor Den Haag: met € 750.000,– voor 2006 en 2007 en € 900.000,– voor 2008 en 2009;
b. voor Rotterdam: met € 1.080.000,– voor 2006 en 2007 en € 1.296.000,– voor 2008 en 2009;
c. voor Utrecht: met € 690.000,– voor 2006 en 2007 en € 828.000,– voor 2008 en 2009;
d. voor Amsterdam: met € 1.980.000,– voor 2006 en 2007 en € 2.376.000,– voor 2008 en 2009.
2. Binnen vier weken na publicatie van deze regeling dienen de colleges van burgemeester en wethouders van de vier in het eerste lid genoemde gemeenten bij de minister een aanvraag in tot de verhoging, bedoeld in het eerste lid. De aanvraag gaat vergezeld van een wijziging van het meerjaren-ontwikkelingsprogramma. Daarin worden vastgelegd de in de GSB III periode te bereiken resultaten die bijdragen aan het voorkomen van een criminele loopbaan van allochtone jongeren.
3. In de wijziging van het meerjarenprogramma worden de te bereiken resultaten geformuleerd met:
a. voor Den Haag: 1°. het aantal trajecten ‘Individuele ondersteuning van jongeren en gezinnen’;
2°. het aantal trajecten ‘Voorkomen van schooluitval’;
3°. het aantal trajecten ‘Werktoeleiding’;
1°. het aantal trajecten ‘Individuele ondersteuning van jongeren en gezinnen’;
2°. het aantal trajecten ‘Voorkomen van schooluitval’;
3°. het aantal trajecten ‘Werktoeleiding’;
b. voor Rotterdam: 1°. de daling van het percentage Nederlandse jongeren van Marokkaanse afkomst dat één jaar na ‘nazorg interventie’ nieuwe Justitiecontacten heeft;
2°. het percentage van de betreffende jongeren dat na een half jaar geen bemiddeling of bemoeienis anderzijds meer nodig heeft van de regisseur van de deelgemeentelijke organisatie ‘Sluitende aanpak’;
3°. het aantal stageplekken waarmee het tekort wordt verminderd;
1°. de daling van het percentage Nederlandse jongeren van Marokkaanse afkomst dat één jaar na ‘nazorg interventie’ nieuwe Justitiecontacten heeft;
2°. het percentage van de betreffende jongeren dat na een half jaar geen bemiddeling of bemoeienis anderzijds meer nodig heeft van de regisseur van de deelgemeentelijke organisatie ‘Sluitende aanpak’;
3°. het aantal stageplekken waarmee het tekort wordt verminderd;
c. voor Utrecht: het aantal hulptrajecten per jaar voor Marokkaanse risicojongeren, beginners, meerplegers en risicogezinnen.
d. voor Amsterdam: een of meer door het college van burgemeester en wethouders te bepalen indicatoren op het gebied van het voorkomen van een criminele loopbaan van allochtone jongeren.
4. De minister neemt een beschikking tot verlening van een in het eerste lid bedoelde verhoging binnen acht weken na het tijdstip waarop de in het tweede lid bedoelde aanvraag is ontvangen. De verhoging wordt toegedeeld aan de in het derde lid genoemde indicatoren, volgens de navolgende percentsgewijze procentuele verdeling:.
a. voor Den Haag: 1°. 75% aan de indicator, genoemd in het derde lid, onder a, onderdeel 1°;
2°. 11% aan de indicator, genoemd in het derde lid, onder a, onderdeel 2°;
3°. 14% aan de indicator, genoemd in het derde lid, onder a, onderdeel 3°;
1°. 75% aan de indicator, genoemd in het derde lid, onder a, onderdeel 1°;
2°. 11% aan de indicator, genoemd in het derde lid, onder a, onderdeel 2°;
3°. 14% aan de indicator, genoemd in het derde lid, onder a, onderdeel 3°;
b. voor Rotterdam: 1°. 56% aan de indicator, genoemd in het derde lid, onder b, onderdeel 1°;
2°. 36% aan de indicator, genoemd in het derde lid, onder b, onderdeel 2°;
3°. 8% aan de indicator, genoemd in het derde lid, onder b, onderdeel 3°, en
1°. 56% aan de indicator, genoemd in het derde lid, onder b, onderdeel 1°;
2°. 36% aan de indicator, genoemd in het derde lid, onder b, onderdeel 2°;
3°. 8% aan de indicator, genoemd in het derde lid, onder b, onderdeel 3°, en
c. voor Utrecht: 100% aan de indicator, genoemd in het derde lid, onder c.
d. voor Amsterdam: 100% aan de indicator of indicatoren, bedoeld in het derde lid, onder d; in de beschikking tot verlening van een in het eerste lid bedoelde verhoging wordt de percentsgewijze toedeling aan de indicator of indicatoren vastgelegd.
5. De Minister kan de verhoging lager vaststellen dan de bedragen genoemd in het eerste lid, indien de in het ontwikkelingsprogramma opgenomen resultaten naar zijn oordeel daartoe aanleiding geven.
6. De minister geeft niet eerder toepassing aan het vorige lid dan nadat hij het college van burgemeester en wethouders van de betreffende gemeente heeft geïnformeerd waarom hij voornemens is daartoe over te gaan en hij het college binnen een door hem te bepalen termijn in de gelegenheid heeft gesteld een aanpassing van de wijziging van het ontwikkelingsprogramma in te zenden.
a. voor Den Haag: met € 750.000,– voor 2006 en 2007 en € 900.000,– voor 2008 en 2009;
b. voor Rotterdam: met € 1.080.000,– voor 2006 en 2007 en € 1.296.000,– voor 2008 en 2009;
c. voor Utrecht: met € 690.000,– voor 2006 en 2007 en € 828.000,– voor 2008 en 2009;
d. voor Amsterdam: met € 1.980.000,– voor 2006 en 2007 en € 2.376.000,– voor 2008 en 2009.
2. Binnen vier weken na publicatie van deze regeling dienen de colleges van burgemeester en wethouders van de vier in het eerste lid genoemde gemeenten bij de minister een aanvraag in tot de verhoging, bedoeld in het eerste lid. De aanvraag gaat vergezeld van een wijziging van het meerjaren-ontwikkelingsprogramma. Daarin worden vastgelegd de in de GSB III periode te bereiken resultaten die bijdragen aan het voorkomen van een criminele loopbaan van allochtone jongeren.
3. In de wijziging van het meerjarenprogramma worden de te bereiken resultaten geformuleerd met:
a. voor Den Haag: 1°. het aantal trajecten ‘Individuele ondersteuning van jongeren en gezinnen’;
2°. het aantal trajecten ‘Voorkomen van schooluitval’;
3°. het aantal trajecten ‘Werktoeleiding’;
1°. het aantal trajecten ‘Individuele ondersteuning van jongeren en gezinnen’;
2°. het aantal trajecten ‘Voorkomen van schooluitval’;
3°. het aantal trajecten ‘Werktoeleiding’;
b. voor Rotterdam: 1°. de daling van het percentage Nederlandse jongeren van Marokkaanse afkomst dat één jaar na ‘nazorg interventie’ nieuwe Justitiecontacten heeft;
2°. het percentage van de betreffende jongeren dat na een half jaar geen bemiddeling of bemoeienis anderzijds meer nodig heeft van de regisseur van de deelgemeentelijke organisatie ‘Sluitende aanpak’;
3°. het aantal stageplekken waarmee het tekort wordt verminderd;
1°. de daling van het percentage Nederlandse jongeren van Marokkaanse afkomst dat één jaar na ‘nazorg interventie’ nieuwe Justitiecontacten heeft;
2°. het percentage van de betreffende jongeren dat na een half jaar geen bemiddeling of bemoeienis anderzijds meer nodig heeft van de regisseur van de deelgemeentelijke organisatie ‘Sluitende aanpak’;
3°. het aantal stageplekken waarmee het tekort wordt verminderd;
c. voor Utrecht: het aantal hulptrajecten per jaar voor Marokkaanse risicojongeren, beginners, meerplegers en risicogezinnen.
d. voor Amsterdam: een of meer door het college van burgemeester en wethouders te bepalen indicatoren op het gebied van het voorkomen van een criminele loopbaan van allochtone jongeren.
4. De minister neemt een beschikking tot verlening van een in het eerste lid bedoelde verhoging binnen acht weken na het tijdstip waarop de in het tweede lid bedoelde aanvraag is ontvangen. De verhoging wordt toegedeeld aan de in het derde lid genoemde indicatoren, volgens de navolgende percentsgewijze procentuele verdeling:.
a. voor Den Haag: 1°. 75% aan de indicator, genoemd in het derde lid, onder a, onderdeel 1°;
2°. 11% aan de indicator, genoemd in het derde lid, onder a, onderdeel 2°;
3°. 14% aan de indicator, genoemd in het derde lid, onder a, onderdeel 3°;
1°. 75% aan de indicator, genoemd in het derde lid, onder a, onderdeel 1°;
2°. 11% aan de indicator, genoemd in het derde lid, onder a, onderdeel 2°;
3°. 14% aan de indicator, genoemd in het derde lid, onder a, onderdeel 3°;
b. voor Rotterdam: 1°. 56% aan de indicator, genoemd in het derde lid, onder b, onderdeel 1°;
2°. 36% aan de indicator, genoemd in het derde lid, onder b, onderdeel 2°;
3°. 8% aan de indicator, genoemd in het derde lid, onder b, onderdeel 3°, en
1°. 56% aan de indicator, genoemd in het derde lid, onder b, onderdeel 1°;
2°. 36% aan de indicator, genoemd in het derde lid, onder b, onderdeel 2°;
3°. 8% aan de indicator, genoemd in het derde lid, onder b, onderdeel 3°, en
c. voor Utrecht: 100% aan de indicator, genoemd in het derde lid, onder c.
d. voor Amsterdam: 100% aan de indicator of indicatoren, bedoeld in het derde lid, onder d; in de beschikking tot verlening van een in het eerste lid bedoelde verhoging wordt de percentsgewijze toedeling aan de indicator of indicatoren vastgelegd.
5. De Minister kan de verhoging lager vaststellen dan de bedragen genoemd in het eerste lid, indien de in het ontwikkelingsprogramma opgenomen resultaten naar zijn oordeel daartoe aanleiding geven.
6. De minister geeft niet eerder toepassing aan het vorige lid dan nadat hij het college van burgemeester en wethouders van de betreffende gemeente heeft geïnformeerd waarom hij voornemens is daartoe over te gaan en hij het college binnen een door hem te bepalen termijn in de gelegenheid heeft gesteld een aanpassing van de wijziging van het ontwikkelingsprogramma in te zenden.