BWBR0018516
Geldig vanaf 2007-01-01
Artikel 12b
Uitvoeringsregeling brede doeluitkering sociaal, integratie en veiligheid
1. De uitkeringen aan gemeenten waar de som van de schoolgewichten 11 of meer bedraagt worden met ingang van 2006 verhoogd ten laste van de middelen die vanuit hoofdstuk VIII van de Rijksbegroting ter beschikking worden gesteld voor de bestrijding van onderwijsachterstanden.
2. Het procentuele aandeel van de betreffende gemeenten wordt voor het jaar 2006 vastgesteld volgens de formule: 5/12 × s × v, en met ingang van 2007 jaarlijks volgens de formule: 7/12 × s × (v-1) + 5/12 × s × v. In die formules is:
s: de som van de schoolgewichten volgens de definitie van het schoolgewicht, zoals die luidde op 31 juli 2006 en berekend aan de hand van het totaal aantal leerlingen op 1 oktober 2004 van de hoofdvestigingen en nevenvestigingen van basisscholen voor zover deze zich bevinden op het grondgebied van de betreffende gemeente;
(v-1): het vermenigvuldigingsbedrag zoals dat van toepassing was in het voorgaande jaar, en
v: het vermenigvuldigingsbedrag van het jaar van vaststelling.
3. Het vermenigvuldigingsbedrag bedraagt op 1 augustus 2006 € 1.368,–. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap stelt met ingang van 2007 jaarlijks per 1 augustus het voor het komende schooljaar geldende vermenigvuldigingsbedrag vast door het vermenigvuldigingsbedrag van het voorgaande jaar aan te passen op basis van de ontwikkeling van de genormeerde gemiddelde personeelslasten van leraren van basisscholen, als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0003420/artikel/120" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 120, zesde lid, van de Wet op het primair onderwijs</a>.
4. Het vermenigvuldigingsbedrag zoals dat op grond van het vorige lid jaarlijks wordt vastgesteld, wordt jaarlijks bekendgemaakt in de Staatscourant.
5. Uiterlijk 15 augustus 2007 dienen de colleges van burgemeester en wethouders van de betreffende gemeenten bij de minister een aanvraag in tot de verhoging, bedoeld in het eerste lid. De aanvraag gaat vergezeld van een wijziging van het meerjarenontwikkelingsprogramma. In de wijziging van het meerjarenontwikkelingsprogramma worden de te bereiken resultaten geformuleerd met inachtneming van de indicatoren, bedoeld in artikel 10, onderdelen a en b dan wel onderdelen a, b en ba.
6. Voorschoolse educatie geschiedt onder de volgende voorwaarden:
a. het college van burgemeester en wethouders van een gemeente geeft aan op grond van welke criteria een doelgroepkind in aanmerking komt voor het volgen van voorschoolse educatie;
b. de voorschoolse educatie wordt tenminste drie dagdelen per week gedurende tenminste een jaar gegeven;
c. in afwijking van het onder b. gestelde kan gedurende het schooljaar 2006–2007 tenminste twee dagdelen per week voorschoolse educatie gedurende een jaar worden gegeven.
7. Voor schakelklassen gelden de volgende voorwaarden:
a. indien het onderwijs in de schakelklas plaatsvindt in combinatie met onderwijs in de reguliere groep, als bedoeld in artikel 166 van de Wet op het primair onderwijs, bedraagt het aantal uren onderwijs dat in de schakelklas wordt gegeven minimaal 8 uren per week;
b. indien het onderwijs in de schakelklas plaatsvindt na de reguliere schooltijd, bedoeld in artikel 166a van de Wet op het primair onderwijs, bedraagt het aantal uren onderwijs dat in de schakelklas wordt gegeven minimaal 100 uren per schooljaar.
8. De Minister neemt een beschikking tot de in het eerste lid bedoelde verhoging binnen acht weken na het tijdstip waarop de in het vijfde lid bedoelde aanvraag is ontvangen. Indien de wijziging van het meerjarenprogramma uitsluitend voorziet in het gebruik van de indicatoren, bedoeld in artikel 10, onderdelen a en b, wordt de verhoging voor 80% toebedeeld aan de indicator, bedoeld in artikel 10, onderdeel a, en voor 20% aan de indicator, bedoeld in artikel 10, onderdeel b. Indien de wijziging van het meerjarenontwikkelingsprogramma voorziet in het gebruik van de indicatoren, bedoeld in artikel 10, onderdelen a, b en ba, wordt de verhoging voor 70 procent toegekend aan de indicator, bedoeld in artikel 10, onderdeel a, voor 10 procent aan de indicator, bedoeld in artikel 10, onderdeel b, en voor 20 procent aan de indicator, bedoeld in artikel 10, onderdeel ba. Als bij de indicator, bedoeld in artikel 10, onderdeel ba, gekozen is voor een uitsplitsing in subindicatoren, wordt de 20 procent toegedeeld aan die subindicatoren met gelijke percentages.
9. De minister kan minder dan 100 percent verlenen van het in het tweede lid bedoelde procentuele aandeel, indien de in het ontwikkelingsprogramma opgenomen resultaten naar zijn oordeel daartoe aanleiding geven.
10. De minister geeft niet eerder toepassing aan het vorige lid dan nadat hij het college van burgemeester en wethouders van de betreffende gemeente heeft geïnformeerd waarom hij voornemens is daartoe over te gaan en hij het college binnen een door hem te bepalen termijn in de gelegenheid heeft gesteld een aanpassing van de wijziging van het ontwikkelingsprogramma in te zenden.
11. Een landelijke evaluatie vindt plaats na het schooljaar 2007–2008. Desgevraagd werken gemeenten en bevoegde gezagsorganen hieraan mee. De evaluatie heeft betrekking op:
a. de samenwerking tussen gemeenten en bevoegde gezagsorganen van scholen in die gemeente;
b. de wijze waarop gemeenten uitvoering hebben gegeven aan de voorschoolse educatie;
c. de wijze waarop gemeenten schakelklassen onderwijs hebben ingericht.
2. Het procentuele aandeel van de betreffende gemeenten wordt voor het jaar 2006 vastgesteld volgens de formule: 5/12 × s × v, en met ingang van 2007 jaarlijks volgens de formule: 7/12 × s × (v-1) + 5/12 × s × v. In die formules is:
s: de som van de schoolgewichten volgens de definitie van het schoolgewicht, zoals die luidde op 31 juli 2006 en berekend aan de hand van het totaal aantal leerlingen op 1 oktober 2004 van de hoofdvestigingen en nevenvestigingen van basisscholen voor zover deze zich bevinden op het grondgebied van de betreffende gemeente;
(v-1): het vermenigvuldigingsbedrag zoals dat van toepassing was in het voorgaande jaar, en
v: het vermenigvuldigingsbedrag van het jaar van vaststelling.
3. Het vermenigvuldigingsbedrag bedraagt op 1 augustus 2006 € 1.368,–. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap stelt met ingang van 2007 jaarlijks per 1 augustus het voor het komende schooljaar geldende vermenigvuldigingsbedrag vast door het vermenigvuldigingsbedrag van het voorgaande jaar aan te passen op basis van de ontwikkeling van de genormeerde gemiddelde personeelslasten van leraren van basisscholen, als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0003420/artikel/120" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 120, zesde lid, van de Wet op het primair onderwijs</a>.
4. Het vermenigvuldigingsbedrag zoals dat op grond van het vorige lid jaarlijks wordt vastgesteld, wordt jaarlijks bekendgemaakt in de Staatscourant.
5. Uiterlijk 15 augustus 2007 dienen de colleges van burgemeester en wethouders van de betreffende gemeenten bij de minister een aanvraag in tot de verhoging, bedoeld in het eerste lid. De aanvraag gaat vergezeld van een wijziging van het meerjarenontwikkelingsprogramma. In de wijziging van het meerjarenontwikkelingsprogramma worden de te bereiken resultaten geformuleerd met inachtneming van de indicatoren, bedoeld in artikel 10, onderdelen a en b dan wel onderdelen a, b en ba.
6. Voorschoolse educatie geschiedt onder de volgende voorwaarden:
a. het college van burgemeester en wethouders van een gemeente geeft aan op grond van welke criteria een doelgroepkind in aanmerking komt voor het volgen van voorschoolse educatie;
b. de voorschoolse educatie wordt tenminste drie dagdelen per week gedurende tenminste een jaar gegeven;
c. in afwijking van het onder b. gestelde kan gedurende het schooljaar 2006–2007 tenminste twee dagdelen per week voorschoolse educatie gedurende een jaar worden gegeven.
7. Voor schakelklassen gelden de volgende voorwaarden:
a. indien het onderwijs in de schakelklas plaatsvindt in combinatie met onderwijs in de reguliere groep, als bedoeld in artikel 166 van de Wet op het primair onderwijs, bedraagt het aantal uren onderwijs dat in de schakelklas wordt gegeven minimaal 8 uren per week;
b. indien het onderwijs in de schakelklas plaatsvindt na de reguliere schooltijd, bedoeld in artikel 166a van de Wet op het primair onderwijs, bedraagt het aantal uren onderwijs dat in de schakelklas wordt gegeven minimaal 100 uren per schooljaar.
8. De Minister neemt een beschikking tot de in het eerste lid bedoelde verhoging binnen acht weken na het tijdstip waarop de in het vijfde lid bedoelde aanvraag is ontvangen. Indien de wijziging van het meerjarenprogramma uitsluitend voorziet in het gebruik van de indicatoren, bedoeld in artikel 10, onderdelen a en b, wordt de verhoging voor 80% toebedeeld aan de indicator, bedoeld in artikel 10, onderdeel a, en voor 20% aan de indicator, bedoeld in artikel 10, onderdeel b. Indien de wijziging van het meerjarenontwikkelingsprogramma voorziet in het gebruik van de indicatoren, bedoeld in artikel 10, onderdelen a, b en ba, wordt de verhoging voor 70 procent toegekend aan de indicator, bedoeld in artikel 10, onderdeel a, voor 10 procent aan de indicator, bedoeld in artikel 10, onderdeel b, en voor 20 procent aan de indicator, bedoeld in artikel 10, onderdeel ba. Als bij de indicator, bedoeld in artikel 10, onderdeel ba, gekozen is voor een uitsplitsing in subindicatoren, wordt de 20 procent toegedeeld aan die subindicatoren met gelijke percentages.
9. De minister kan minder dan 100 percent verlenen van het in het tweede lid bedoelde procentuele aandeel, indien de in het ontwikkelingsprogramma opgenomen resultaten naar zijn oordeel daartoe aanleiding geven.
10. De minister geeft niet eerder toepassing aan het vorige lid dan nadat hij het college van burgemeester en wethouders van de betreffende gemeente heeft geïnformeerd waarom hij voornemens is daartoe over te gaan en hij het college binnen een door hem te bepalen termijn in de gelegenheid heeft gesteld een aanpassing van de wijziging van het ontwikkelingsprogramma in te zenden.
11. Een landelijke evaluatie vindt plaats na het schooljaar 2007–2008. Desgevraagd werken gemeenten en bevoegde gezagsorganen hieraan mee. De evaluatie heeft betrekking op:
a. de samenwerking tussen gemeenten en bevoegde gezagsorganen van scholen in die gemeente;
b. de wijze waarop gemeenten uitvoering hebben gegeven aan de voorschoolse educatie;
c. de wijze waarop gemeenten schakelklassen onderwijs hebben ingericht.