BWBR0013298
Geldig vanaf 2002-01-09
Artikel 6a
Organisatie-, mandaat- en volmachtbesluit SZW 2002
1. De plaatsvervangend secretarisgeneraal is bevoegd om namens een bewindspersoon besluiten te nemen, privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten en handelingen te verrichten die noch een besluit, noch een privaatrechtelijke rechtshandeling zijn, voor zover zij verband houden met zijn werkterrein als bedoeld in artikel 6en voor zover zij niet zijn voorbehouden aan een bewindspersoon of de secretaris-generaal. Van de volmacht, bedoeld in de eerste volzin, is evenwel uitgezonderd het aangaan van overeenkomsten met de Landsadvocaat en andere juridische dienstverleners inzake advisering en procureurstelling alsmede het instellen van gerechtelijke procedures, tenzij deze overeenkomsten betrekking hebben op beroepschriften van (ex- )medewerkers van het ministerie inzake aangelegenheden verband houdende met de dienstbetrekking of op de invordering van geldvorderingen van de Staat.
2. 2. De bevoegdheden van de plaatsvervangend secretaris-generaal, bedoeld in het eerste lid, omvatten in elk geval mandaat, volmacht en machtiging ten aanzien van de volgende aangelegenheden:
a. beslissingen in bezwaar- en beroepsprocedures voor zover deze betrekking hebben op zijn verantwoordelijkheden of werkterrein als bedoeld in artikel 6, met uitzondering van de beslissing op een beroepschrift;
b. de in artikel 6, vijfde lid, genoemde aangelegenheden;
c. het benoemen van onder hem ressorterende hoofden van afdelingen, subafdelingen en bureaus en van teamleiders aan wie bevoegdheden zijn toegekend met betrekking tot personeelsaangelegenheden, voor zover het gaat om functies tot en met salarisschaal 13 van bijlage B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984, mits hij van zijn voornemen daartoe vooraf melding heeft gemaakt in de Commissie Management Development;
d. de kwijtschelding en de voorlopige en definitieve buiteninvorderingstelling van vorderingen op derden van ten hoogste € 500.000,-, alsmede, na instemming van de minister van Financiën, de voorlopige buiteninvorderingstelling van vorderingen van meer dan € 500.000,-, een en ander voor zover deze vorderingen verband houden met zijn werkterrein als bedoeld in artikel 6 en met uitzondering van vorderingen waarvan de oorsprong bij een voormalig organisatieonderdeel van het ministerie gelegen is;
e. het instellen van tijdelijke projectorganisaties binnen zijn werkterrein als bedoeld in artikel 6;
f. de formatie van de organisatieonderdelen, genoemd in artikel 2, onder b, een en ander met inachtneming van de daarvoor beschikbaar gestelde budgetten en desbetreffende aanwijzingen van de secretaris-generaal.
2. 2. De bevoegdheden van de plaatsvervangend secretaris-generaal, bedoeld in het eerste lid, omvatten in elk geval mandaat, volmacht en machtiging ten aanzien van de volgende aangelegenheden:
a. beslissingen in bezwaar- en beroepsprocedures voor zover deze betrekking hebben op zijn verantwoordelijkheden of werkterrein als bedoeld in artikel 6, met uitzondering van de beslissing op een beroepschrift;
b. de in artikel 6, vijfde lid, genoemde aangelegenheden;
c. het benoemen van onder hem ressorterende hoofden van afdelingen, subafdelingen en bureaus en van teamleiders aan wie bevoegdheden zijn toegekend met betrekking tot personeelsaangelegenheden, voor zover het gaat om functies tot en met salarisschaal 13 van bijlage B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984, mits hij van zijn voornemen daartoe vooraf melding heeft gemaakt in de Commissie Management Development;
d. de kwijtschelding en de voorlopige en definitieve buiteninvorderingstelling van vorderingen op derden van ten hoogste € 500.000,-, alsmede, na instemming van de minister van Financiën, de voorlopige buiteninvorderingstelling van vorderingen van meer dan € 500.000,-, een en ander voor zover deze vorderingen verband houden met zijn werkterrein als bedoeld in artikel 6 en met uitzondering van vorderingen waarvan de oorsprong bij een voormalig organisatieonderdeel van het ministerie gelegen is;
e. het instellen van tijdelijke projectorganisaties binnen zijn werkterrein als bedoeld in artikel 6;
f. de formatie van de organisatieonderdelen, genoemd in artikel 2, onder b, een en ander met inachtneming van de daarvoor beschikbaar gestelde budgetten en desbetreffende aanwijzingen van de secretaris-generaal.