BWBR0013298
Geldig vanaf 2002-01-09
Artikel 53
Organisatie-, mandaat- en volmachtbesluit SZW 2002
1. De secretaris-generaal, de plaatsvervangend secretaris-generaal, de directeuren-generaal en de inspecteurgeneraal Werk en Inkomen kunnen hun vertegenwoordigingsbevoegdheden in een door hen te bepalen omvang mandateren of doorverlenen aan onder hen ressorterende functionarissen. Zij kunnen daarbij bepalen dat deze ondermandaat kunnen verlenen respectievelijk volmacht en machtiging kunnen doorverlenen aan rechtstreeks onder hen ressorterende functionarissen.
2. 2. Bevoegdheden ten aanzien van de volgende aangelegenheden kunnen niet worden doorverleend aan een functionaris onder het niveau van directeur-generaal of inspecteur-generaal Werk en Inkomen:
a. het aangaan van overeenkomsten met een waarde van € 500.000,- of meer;
b. het benoemen van hoofden van afdelingen, subafdelingen en bureaus en van teamleiders aan wie bevoegdheden zijn toegekend met betrekking tot personeelsaangelegenheden;
c. het op grond van artikel 22a van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 toekennen van periodieke toeslagen voor zover het gaat om toeslagen om redenen van werving en behoud;
d. de voorlopige buiteninvorderingstelling, na instemming van de minister van Financiën, van vorderingen op derden van meer dan € 500.000,-;
e. de formatie van organisatieonderdelen.
3. Onverminderd het bepaalde in het eerste en tweede lid kunnen vertegenwoordigingsbevoegden hun bevoegdheden eveneens doorverlenen aan functionarissen die niet onder hen ressorteren, mits de betreffende functionaris daarmee schriftelijk instemt.
4. De (door)verlening van (onder)mandaat, volmacht en machtiging kan uitsluitend bij een schriftelijk besluit geschieden.
2. 2. Bevoegdheden ten aanzien van de volgende aangelegenheden kunnen niet worden doorverleend aan een functionaris onder het niveau van directeur-generaal of inspecteur-generaal Werk en Inkomen:
a. het aangaan van overeenkomsten met een waarde van € 500.000,- of meer;
b. het benoemen van hoofden van afdelingen, subafdelingen en bureaus en van teamleiders aan wie bevoegdheden zijn toegekend met betrekking tot personeelsaangelegenheden;
c. het op grond van artikel 22a van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 toekennen van periodieke toeslagen voor zover het gaat om toeslagen om redenen van werving en behoud;
d. de voorlopige buiteninvorderingstelling, na instemming van de minister van Financiën, van vorderingen op derden van meer dan € 500.000,-;
e. de formatie van organisatieonderdelen.
3. Onverminderd het bepaalde in het eerste en tweede lid kunnen vertegenwoordigingsbevoegden hun bevoegdheden eveneens doorverlenen aan functionarissen die niet onder hen ressorteren, mits de betreffende functionaris daarmee schriftelijk instemt.
4. De (door)verlening van (onder)mandaat, volmacht en machtiging kan uitsluitend bij een schriftelijk besluit geschieden.