1. Elk van de directeuren-generaal, genoemd in artikel 3, eerste lid, geeft rechtstreeks leiding aan de hoofden van de organisatieonderdelen welke ingevolge artikel 2rechtstreeks onder elk van hen ressorteren.
2. Elke directeur-generaal en de inspecteur-generaal Werk en Inkomen stellen de jaarplannen vast van de onder elk van hen ressorterende organisatieonderdelen. Gegeven het budget dat door de secretaris-generaal aan de betreffende directeur-generaal respectievelijk de inspecteur-generaal ter beschikking is gesteld, kennen de directeuren-generaal en de inspecteurgeneraal aan de functionarissen die leiding geven aan de onder hen ressorterende organisatieonderdelen de budgetten toe waarover zij mogen beschikken. De directeuren-generaal en de inspecteur-generaal bewaken de voortgang van de uitvoering van jaarplannen van de onder hen ressorterende organisatieonderdelen.
3. De directeuren-generaal en de inspecteur-generaal Werk en Inkomen zijn verantwoordelijk voor:
a. het bij schriftelijk besluit toedelen van taken aan de onder hen ressorterende organisatieonderdelen en aan de functionarissen die leiding geven aan deze organisatieonderdelen;
b. de personeelsaangelegenheden van de functionarissen die onder hen ressorteren, voor zover dit niet ingevolge artikel 4, vijfde lid, aan de secretarisgeneraal is opgedragen;
c. de personeelsaangelegenheden van functionarissen die niet meer onder hen ressorteren en ten aanzien van wie geen andere verantwoordelijke functionaris binnen het ministerie (meer) aangewezen kan worden, maar die op 31 december 2002 of later wel onder hen ressorteerden;
d. de werkgeversverplichtingen die voortvloeien uit wet- en regelgeving op het gebied van arbeidsomstandigheden ten aanzien van de onder hen ressorterende organisatieonderdelen, met uitzondering van de bij de plaatsvervangend secretaris-generaal belegde centraal georganiseerde werkgeversverplichtingen;
e. het zorgdragen voor toedeling van de onder d bedoelde verantwoordelijkheid aan onder hen ressorterende functionarissen, voor zover deze functionarissen als bestuurder in de zin van artikel 1 van de Wet op de ondernemingsraden optreden;
f. het adviseren van de bewindspersonen ten aanzien van hun eigen werkterrein en het attenderen van de bewindspersonen op politiek of maatschappelijk gevoelige aspecten ten aanzien van dat werkterrein;
g. het rapporteren aan de secretaris-generaal over de uitvoering van de jaarplannen betreffende de onder hen ressorterende organisatieonderdelen;
h. de behandeling van klachten als bedoeld in artikel 9:1 van de Algemene wet bestuursrecht voor zover deze betrekking hebben op gedragingen van de onder hen ressorterende functionarissen;
i. een juiste, volledige en tijdige aanlevering aan de secretaris-generaal van de gegevens die in het mandaat-, volmacht- en machtigingsregister SZW, genoemd in artikel 4, vijfde lid, onder i, moeten worden opgenomen.
4. Elke directeur-generaal is bevoegd om namens een bewindspersoon besluiten te nemen, privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten en handelingen te verrichten die noch een besluit, noch een privaatrechtelijke rechtshandeling zijn, voor zover zij verband houden met zijn werkterrein en voor zover zij niet zijn voorbehouden aan een bewindspersoon of de secretaris-generaal. Van de volmacht, bedoeld in de eerste volzin, is evenwel uitgezonderd het aangaan van de volgende overeenkomsten:
a. overeenkomsten met de Landsadvocaat en andere juridische dienstverleners inzake advisering en procureurstelling alsmede het instellen van gerechtelijke procedures;
b. overeenkomsten met het Centraal bureau voor de statistiek alsmede overeenkomsten met betrekking tot meerjarige, structurele beleidsinformatievoorziening die het verzamelen, bewerken en leveren van beleidsinformatie betreffen, voor zover deze informatie primair bedoeld is voor ramingen en verdeelmodellen, dan wel verband houdt met verplichtingen die voortvloeien uit de Regeling Prestatiegegevens en Evaluatieonderzoek Rijksoverheid zoals opgenomen in het Handboek Financiële Informatie en Administratie Rijksoverheid of met verplichtingen die voortvloeien uit internationale verdragen;
c. overeenkomsten betreffende de organisatie van voorlichtings- en informatiecampagnes en de productie en distributie van voorlichtingsmateriaal;
d. overeenkomsten betreffende externe advisering in het kader van voorlichtingsprojecten;
e. overeenkomsten met de arbodienst, het centraal flankerend beleid ten behoeve van herplaatsers en de opvang van kinderen van medewerkers van het ministerie;
f. overeenkomsten betreffende de technische infrastructuur, de hardware, de kantoorautomatiseringssoftware, de datacommunicatievoorzieningen en het technisch beheer van geautomatiseerde systemen;
g. overeenkomsten betreffende de huisvesting en facilitaire voorzieningen ten behoeve van de Haagse vestigingen van het ministerie;
h. overeenkomsten betreffende de gerechtelijke en buitengerechtelijke invordering van geldvorderingen van de Staat;
i. overeenkomsten met betrekking tot systeemontwikkeling, licenties, functioneel beheer en onderhoud van applicaties van geautomatiseerde informatie- en salarissystemen.
5. Het bepaalde in het vierde lid is van overeenkomstige toepassing op de inspecteur-generaal Werk en Inkomen, met dien verstande dat in afwijking van de uitzonderingen, bedoeld onder c, e, f, g en i voor hem het volgende geldt. De inspecteurgeneraal Werk en Inkomen is bevoegd tot het aangaan van overeenkomsten die betrekking hebben op de productie en distributie van voorlichtingsmateriaal gericht op de communicatie van toezichtsbevindingen en tot het aangaan van overeenkomsten met de arbodienst. Tevens is de inspecteur-generaal bevoegd tot het aangaan van overeenkomsten die betrekking hebben op systeemontwikkeling, licenties, functioneel beheer en onderhoud van applicaties van voorlichtings- en documentatiesystemen. Voorts is de inspecteur-generaal bevoegd om de overeenkomsten, bedoeld in het vierde lid, onder f en g, aan te gaan voor zover geen gebruik wordt gemaakt van de departementale infrastructuur en er geen sprake is van huisvesting in een gebouw waar tevens andere organisatieonderdelen van het ministerie, niet zijnde baten-lastendiensten, zijn gehuisvest.
6. De in het vierde en vijfde lid bedoelde bevoegdheden van de directeuren- generaal en de inspecteur-generaal Werk en Inkomen omvatten in elk geval mandaat, volmacht en machtiging ten aanzien van de volgende aangelegenheden:
a. beslissingen in bezwaar- en beroepsprocedures voor zover deze betrekking hebben op hun eigen verantwoordelijkheden of werkterrein, met uitzondering van de beslissing op een beroepschrift;
b. de aangelegenheden, genoemd in het derde lid;
c. het benoemen van de onder hen ressorterende hoofden van afdelingen, subafdelingen en bureaus en van teamleiders aan wie bevoegdheden zijn toegekend met betrekking tot personeelsaangelegenheden, voor zover het gaat om functies tot en met salarisschaal 13 van bijlage B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984, mits zij van hun voornemen daartoe vooraf melding hebben gemaakt in de Commissie Management Development;
d. de kwijtschelding en de voorlopige en definitieve buiteninvorderingstelling van vorderingen op derden van ten hoogste € 500.000,-, alsmede, na instemming van de minister van Financiën, de voorlopige buiteninvorderingstelling van vorderingen van meer dan € 500.000,-, een en ander voor zover deze vorderingen verband houden met hun eigen werkterrein en met uitzondering van vorderingen waarvan de oorsprong bij een voormalig organisatieonderdeel van het ministerie gelegen is;
e. het instellen van tijdelijke projectorganisaties binnen hun eigen werkterrein;
f. de formatie van de onder hen ressorterende organisatieonderdelen, een en ander met inachtneming van de daarvoor beschikbaar gestelde budgetten en desbetreffende aanwijzingen van de secretaris-generaal;
g. het verlenen en vaststellen van subsidies en rijksvergoedingen, het aangaan van verbetertrajecten en het korten op bevoorschotting, voor zover het de uitvoering betreft van regelingen op hun eigen werkterrein.
7. De inspecteur-generaal Werk en Inkomen geeft op verzoek van een der kamers van de Staten-Generaal of van een commissie uit een van die kamers een toelichting op het jaarverslag of een andere rapportage van de Inspectie Werk en Inkomen nadat het desbetreffende stuk aan de kamers ter kennis is gebracht. De inspecteurgeneraal beperkt zich daarbij tot het geven van inlichtingen van feitelijke aard. De inspecteur-generaal stelt de minister terstond in kennis van een verzoek als hier bedoeld.