BWBR0010788
Geldig vanaf 1999-10-26
Artikel 29
Beleidsregels bestuurlijke boeten Bureau Heffingen 1999
Tot de omstandigheden die aanleiding kunnen geven de op te leggen of opgelegde verzuim- of vergrijpboete te matigen behoren:
a. het geval dat een wanverhouding bestaat tussen de ernst van de gedraging naar aanleiding waarvan de boete wordt opgelegd en de hoogte van de op te leggen boete, en het geval dat deze gedraging haar aanleiding vindt in omstandigheden die buiten de directe invloedssfeer van de heffingplichtige liggen;
b. het geval dat de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, is over-schreden. In uitzonderlijke gevallen kan deze overschrijding leiden tot het vervallen van de boete. Bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn is overschreden, wordt onder meer gelet op de ingewikkeldheid van de zaak, het processuele gedrag van de heffingplichtige en de wijze waarop de zaak door de inspecteur is behandeld.
a. het geval dat een wanverhouding bestaat tussen de ernst van de gedraging naar aanleiding waarvan de boete wordt opgelegd en de hoogte van de op te leggen boete, en het geval dat deze gedraging haar aanleiding vindt in omstandigheden die buiten de directe invloedssfeer van de heffingplichtige liggen;
b. het geval dat de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, is over-schreden. In uitzonderlijke gevallen kan deze overschrijding leiden tot het vervallen van de boete. Bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn is overschreden, wordt onder meer gelet op de ingewikkeldheid van de zaak, het processuele gedrag van de heffingplichtige en de wijze waarop de zaak door de inspecteur is behandeld.