BWBR0010788
Geldig vanaf 1999-10-26
Artikel 21
Beleidsregels bestuurlijke boeten Bureau Heffingen 1999
1. Indien de heffingplichtige de verschuldigde bestemmingsheffing niet, niet tijdig of gedeeltelijk niet betaalt, dan legt de inspecteur een verzuimboete op van 100% van het gedeelte van de verschuldigde heffing dat niet betaald is. De verzuimboete bedraagt ten hoogste € 180.
2. Indien de heffingplichtige de verschuldigde bestemmingsheffing alsnog betaalt, dan vermindert de inspecteur de boete overeenkomstig het derde lid als er sprake is van een eerste, een tweede of een volgend verzuim.
Van een eerste verzuim is sprake indien de heffingplichtige in geen van de laatste vijf kalenderjaren, voorafgaande aan het kalenderjaar waarop de desbetreffende heffing betrekking heeft, in verzuim is geweest. Van een tweede, onderscheidenlijk volgend verzuim is sprake indien de heffingplichtige in één, onderscheidenlijk twee of meer van de laatste vijf kalenderjaren, voorafgaande aan het kalenderjaar waarop de desbetreffende heffing betrekking heeft, in verzuim is geweest. Een verzuim ten aanzien waarvan bij de heffingplichtige sprake is van afwezigheid van alle schuld wordt niet in aanmerking genomen.
3. De inspecteur vermindert ingeval van:
a. een eerste verzuim de verzuimboete tot op 10% van de verschuldigde heffing;
b. een tweede verzuim de verzuimboete tot op 25% van de verschuldigde heffing;
c. een volgend verzuim de verzuimboete tot op 100% van de verschuldigde heffing.
4. Indien het bedrag van de verschuldigde heffing, vermeerderd met het ingevolge de vorige leden berekende boetebedrag, lager is dan € 11, legt de inspecteur in afwijking van de vorige leden geen verzuimboete op. Dit verzuim wordt wel in aanmerking genomen bij de berekening van het aantal verzuimen, bedoeld in het tweede lid.
5. De inspecteur verlaagt de opgelegde verzuimboete naar evenredigheid bij vermindering of teruggaaf van de desbetreffende heffing. De verzuimboete wordt niet lager gesteld dan op € 11.
2. Indien de heffingplichtige de verschuldigde bestemmingsheffing alsnog betaalt, dan vermindert de inspecteur de boete overeenkomstig het derde lid als er sprake is van een eerste, een tweede of een volgend verzuim.
Van een eerste verzuim is sprake indien de heffingplichtige in geen van de laatste vijf kalenderjaren, voorafgaande aan het kalenderjaar waarop de desbetreffende heffing betrekking heeft, in verzuim is geweest. Van een tweede, onderscheidenlijk volgend verzuim is sprake indien de heffingplichtige in één, onderscheidenlijk twee of meer van de laatste vijf kalenderjaren, voorafgaande aan het kalenderjaar waarop de desbetreffende heffing betrekking heeft, in verzuim is geweest. Een verzuim ten aanzien waarvan bij de heffingplichtige sprake is van afwezigheid van alle schuld wordt niet in aanmerking genomen.
3. De inspecteur vermindert ingeval van:
a. een eerste verzuim de verzuimboete tot op 10% van de verschuldigde heffing;
b. een tweede verzuim de verzuimboete tot op 25% van de verschuldigde heffing;
c. een volgend verzuim de verzuimboete tot op 100% van de verschuldigde heffing.
4. Indien het bedrag van de verschuldigde heffing, vermeerderd met het ingevolge de vorige leden berekende boetebedrag, lager is dan € 11, legt de inspecteur in afwijking van de vorige leden geen verzuimboete op. Dit verzuim wordt wel in aanmerking genomen bij de berekening van het aantal verzuimen, bedoeld in het tweede lid.
5. De inspecteur verlaagt de opgelegde verzuimboete naar evenredigheid bij vermindering of teruggaaf van de desbetreffende heffing. De verzuimboete wordt niet lager gesteld dan op € 11.