BWBR0010617
Geldig vanaf 1999-08-27
Artikel 4
Besluit medezeggenschap defensie
1. Onze Minister stelt na overleg met de betrokken commissie van georganiseerd overleg bij door hem aan te wijzen organisatiedelen gemeenschappelijke medezeggenschapscommissies in als dat bevorderlijk is voor een goede werking van de medezeggenschap.
2. In het instellingsbesluit wordt bepaald voor welke diensteenheden en voor welke periode de gemeenschappelijke medezeggenschapscommissie wordt ingesteld en welke functionaris het overleg met de gemeenschappelijke medezeggenschapscommissie voorzit.
3. De betrokken medezeggenschapscommissies worden vooraf in de gelegenheid gesteld advies uit te brengen over het instellen van een gemeenschappelijke medezeggenschapscommissie.
4. De leden van een gemeenschappelijke medezeggenschapscommissie worden gekozen door de betrokken medezeggenschapscommissies uit hun leden. In het instellingsbesluit wordt het aantal leden dat uit elke medezeggenschapscommissie kan worden gekozen, bepaald. Voor ieder lid kan een plaatsvervanger worden gekozen die gelijke rechten en plichten heeft als het lid dat hij vervangt.
5. Het instellingsbesluit bevat bepalingen die voorzien in een goede vertegenwoordiging van de verschillende groepen werknemers in de gemeenschappelijke medezeggenschapscommissie. Vertegenwoordigers van diensteenheden waarvoor geen medezeggenschapscommissie is ingesteld kunnen deel uitmaken van een gemeenschappelijke medezeggenschapscommissie. In het instellingsbesluit wordt hun aantal en de wijze van hun verkiezing bepaald.
6. Het lidmaatschap van een lid of plaatsvervangend lid van een gemeenschappelijke medezeggenschapscommissie eindigt van rechtswege als zijn lidmaatschap van de medezeggenschapscommissie eindigt. Het lidmaatschap van de vertegenwoordiger, bedoeld in het vijfde lid, eindigt als hij niet langer bij de betrokken diensteenheid werkzaam is.
7. De gemeenschappelijke medezeggenschapscommissie behandelt uitsluitend aangelegenheden die van gemeenschappelijk belang zijn voor alle of voor een meerderheid van de diensteenheden waarvoor zij is ingesteld.
8. De bevelhebber van het krijgsmachtdeel waaruit het merendeel van de leden van de gemeenschappelijke medezeggenschapscommissie afkomstig is, wordt als bevelhebber aangemerkt.
9. De artikelen 6, 10, 13, 14, 15, 16, 17, eerste, tweede, vierde en vijfde lid, 18, 19en 20en de hoofdstukken 4 tot en met 6zijn van overeenkomstige toepassing op de gemeenschappelijke medezeggenschapcommissie. Op de vertegenwoordigers, bedoeld in het vijfde lid, is artikel 17, derde lid, van overeenkomstige toepassing.
2. In het instellingsbesluit wordt bepaald voor welke diensteenheden en voor welke periode de gemeenschappelijke medezeggenschapscommissie wordt ingesteld en welke functionaris het overleg met de gemeenschappelijke medezeggenschapscommissie voorzit.
3. De betrokken medezeggenschapscommissies worden vooraf in de gelegenheid gesteld advies uit te brengen over het instellen van een gemeenschappelijke medezeggenschapscommissie.
4. De leden van een gemeenschappelijke medezeggenschapscommissie worden gekozen door de betrokken medezeggenschapscommissies uit hun leden. In het instellingsbesluit wordt het aantal leden dat uit elke medezeggenschapscommissie kan worden gekozen, bepaald. Voor ieder lid kan een plaatsvervanger worden gekozen die gelijke rechten en plichten heeft als het lid dat hij vervangt.
5. Het instellingsbesluit bevat bepalingen die voorzien in een goede vertegenwoordiging van de verschillende groepen werknemers in de gemeenschappelijke medezeggenschapscommissie. Vertegenwoordigers van diensteenheden waarvoor geen medezeggenschapscommissie is ingesteld kunnen deel uitmaken van een gemeenschappelijke medezeggenschapscommissie. In het instellingsbesluit wordt hun aantal en de wijze van hun verkiezing bepaald.
6. Het lidmaatschap van een lid of plaatsvervangend lid van een gemeenschappelijke medezeggenschapscommissie eindigt van rechtswege als zijn lidmaatschap van de medezeggenschapscommissie eindigt. Het lidmaatschap van de vertegenwoordiger, bedoeld in het vijfde lid, eindigt als hij niet langer bij de betrokken diensteenheid werkzaam is.
7. De gemeenschappelijke medezeggenschapscommissie behandelt uitsluitend aangelegenheden die van gemeenschappelijk belang zijn voor alle of voor een meerderheid van de diensteenheden waarvoor zij is ingesteld.
8. De bevelhebber van het krijgsmachtdeel waaruit het merendeel van de leden van de gemeenschappelijke medezeggenschapscommissie afkomstig is, wordt als bevelhebber aangemerkt.
9. De artikelen 6, 10, 13, 14, 15, 16, 17, eerste, tweede, vierde en vijfde lid, 18, 19en 20en de hoofdstukken 4 tot en met 6zijn van overeenkomstige toepassing op de gemeenschappelijke medezeggenschapcommissie. Op de vertegenwoordigers, bedoeld in het vijfde lid, is artikel 17, derde lid, van overeenkomstige toepassing.