BWBR0010617
Geldig vanaf 1999-08-27
Artikel 1
Besluit medezeggenschap defensie
1. In deze regeling wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Defensie;
b. secretaris-generaal: de secretaris-generaal van het Ministerie van Defensie;
c. werknemer: de militaire ambtenaar, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder c, van het Algemeen militair ambtenarenreglement, en de ambtenaar, bedoeld in artikel 1 van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie;
d. krijgsmachtdeel: de Koninklijke marine, de Koninklijke landmacht, de Koninklijke luchtmacht, de Koninklijke marechaussee, het defensie interservice commando en de centrale organisatie van het ministerie;
e. bevelhebber: de bevelhebber der Zeestrijdkrachten, de bevelhebber der Landstrijdkrachten, de bevelhebber der Luchtstrijdkrachten, de commandant van het wapen der Koninklijke marechaussee, de commandant van het defensie interservice commando en, ten aanzien van de centrale organisatie van het ministerie, de secretaris-generaal;
f. diensteenheid: een schip, een groep van vliegtuigen, een inrichting der zeemacht, een bataljon of eenheid van overeenkomstig niveau, een eenheid of groep eenheden bij het korps mariniers ter grootte van een bataljon of van een overeenkomstig niveau, een vliegbasis of een overeenkomstig onderdeel, een district of een eenheid van een overeenkomstig niveau dan wel een met een eigen taak bedeeld administratief of organisatorisch zelfstandig onderdeel van het Ministerie van Defensie;
g. commissie van georganiseerd overleg: de commissie, bedoeld in artikel 2 dan wel artikel 27, van het Besluit georganiseerd overleg sector Defensie;
h. college voor geschillen: het college, bedoeld in artikel 33, van dit besluit;
i. centrale: een centrale van verenigingen van ambtenaren als bedoeld in artikel 4 van het Besluit georganiseerd overleg sector Defensie.
2. Voor de toepassing van dit besluit zijn werknemers die hun werkzaamheden bij meer dan één diensteenheid verrichten werkzaam bij de diensteenheid waar zij in overwegende mate hun werkzaamheden verrichten.
a. Onze Minister: Onze Minister van Defensie;
b. secretaris-generaal: de secretaris-generaal van het Ministerie van Defensie;
c. werknemer: de militaire ambtenaar, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder c, van het Algemeen militair ambtenarenreglement, en de ambtenaar, bedoeld in artikel 1 van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie;
d. krijgsmachtdeel: de Koninklijke marine, de Koninklijke landmacht, de Koninklijke luchtmacht, de Koninklijke marechaussee, het defensie interservice commando en de centrale organisatie van het ministerie;
e. bevelhebber: de bevelhebber der Zeestrijdkrachten, de bevelhebber der Landstrijdkrachten, de bevelhebber der Luchtstrijdkrachten, de commandant van het wapen der Koninklijke marechaussee, de commandant van het defensie interservice commando en, ten aanzien van de centrale organisatie van het ministerie, de secretaris-generaal;
f. diensteenheid: een schip, een groep van vliegtuigen, een inrichting der zeemacht, een bataljon of eenheid van overeenkomstig niveau, een eenheid of groep eenheden bij het korps mariniers ter grootte van een bataljon of van een overeenkomstig niveau, een vliegbasis of een overeenkomstig onderdeel, een district of een eenheid van een overeenkomstig niveau dan wel een met een eigen taak bedeeld administratief of organisatorisch zelfstandig onderdeel van het Ministerie van Defensie;
g. commissie van georganiseerd overleg: de commissie, bedoeld in artikel 2 dan wel artikel 27, van het Besluit georganiseerd overleg sector Defensie;
h. college voor geschillen: het college, bedoeld in artikel 33, van dit besluit;
i. centrale: een centrale van verenigingen van ambtenaren als bedoeld in artikel 4 van het Besluit georganiseerd overleg sector Defensie.
2. Voor de toepassing van dit besluit zijn werknemers die hun werkzaamheden bij meer dan één diensteenheid verrichten werkzaam bij de diensteenheid waar zij in overwegende mate hun werkzaamheden verrichten.