BWBR0010021
Geldig vanaf 1998-12-01
Artikel 38
Regeling controleapparaten
De werkgever en de persoon, bedoeld in artikel 2.2:2 van het Besluit, zorgen ervoor dat:
a. ten minste eenmaal per twee jaar het controleapparaat door een erkende installateur wordt onderzocht;
b. na iedere verbreking van verzegelingen als bedoeld in artikel 26, eerste lid, en na iedere wijziging aan het motorrijtuig waardoor wegdraaital of bandenomtrek zijn beïnvloed, het controleapparaat door een erkend installateur wordt onderzocht;
c. na ieder onderzoek het controleapparaat door een erkende installateur is voorzien van een installatieplaatje en van verzegelingen als bedoeld in de artikelen 26, eerste lid, onderscheiden-lijk 32;
d. tijdens het gebruik van het motorrijtuig de maximaal toelaatbare fouten, aangegeven in bijlage I, hoofdstuk III onder f) 3 van Verordening nr. (EEG) 3821/85 niet worden overschreden;
e. de onder c bedoelde verzegelingen ongewijzigd en intact blijven.
a. ten minste eenmaal per twee jaar het controleapparaat door een erkende installateur wordt onderzocht;
b. na iedere verbreking van verzegelingen als bedoeld in artikel 26, eerste lid, en na iedere wijziging aan het motorrijtuig waardoor wegdraaital of bandenomtrek zijn beïnvloed, het controleapparaat door een erkend installateur wordt onderzocht;
c. na ieder onderzoek het controleapparaat door een erkende installateur is voorzien van een installatieplaatje en van verzegelingen als bedoeld in de artikelen 26, eerste lid, onderscheiden-lijk 32;
d. tijdens het gebruik van het motorrijtuig de maximaal toelaatbare fouten, aangegeven in bijlage I, hoofdstuk III onder f) 3 van Verordening nr. (EEG) 3821/85 niet worden overschreden;
e. de onder c bedoelde verzegelingen ongewijzigd en intact blijven.