BWBR0010021
Geldig vanaf 1998-12-01
Artikel 26
Regeling controleapparaten
1. Na het onderzoek worden alle verzegelingen, genoemd in Hoofdstuk V onder 4 van bijlage I van Verordening (EEG) nr. 3821/85, voorzien van het aan de erkenninghouder toegekend verzegelnummer, aangebracht:
a. op de verbinding tussen de aandrijfkabel of de elektrische bedrading van de impulsgever en het controleapparaat en op de verbinding tussen de aandrijfkabel of de elektrische bedrading van de impulsgever en het motorrijtuig;
b. op alle eventueel daar tussen liggende onderbreekbare punten;
c. op het mechanisme van het controleapparaat;
d. op de in het controleapparaat aanwezige kilometerteller;
e. op het aanpassingsorgaan en de aansluiting hiervan op het circuit;
f. op alle overige punten waarmee de instelling van het controleapparaat kan worden gewijzigd.
2. De verzegeling op het mechanisme van het controleapparaat wordt slechts door een reparateur aangebracht; indien verbreking van deze verzegeling echter noodzakelijk is voor het wijzigen van de kilometertellerstand, mag de verzegeling door de installateur worden aangebracht.
3. In geval van verbreking in het belang van opsporing door ambtenaren als bedoeld in artikel 7 onder b en c, wordt, in afwijking van het eerste lid, een nieuwe verzegeling aangebracht op de plaatsen waar deze verbroken is.
4. Verbreking als bedoeld in het derde lid vindt slechts plaats ter controle van:
a. de juiste instelling van de apparaatconstante van het controleapparaat;
b. de juiste aansturing van de snelheidsbegrenzer voor zover dit geschiedt met daartoe door de Dienst Wegverkeer goedgekeurde testapparatuur;
c. de aanwezigheid van voorzieningen waarmee de juiste werking van het controleapparaat kan worden beïnvloed;
d. de aanwezigheid van voorzieningen waarmee de juiste werking van de snelheidsbegrenzer kan worden beïnvloed, indien het gestelde in artikel 16 lid 2 van de Erkenningsregeling Snelheidsbegrenzers van toepassing is.
5. Van de verzegeling als bedoeld in het derde lid, wordt aan de bestuurder een schriftelijke kennisgeving, gewaarmerkt door de betreffende ambtenaar en voorzien van het in artikel 7 onder b onderscheidenlijk cbedoelde verzegelnummer, uitgereikt met de reden waarom de verzegeling werd verbroken.
a. op de verbinding tussen de aandrijfkabel of de elektrische bedrading van de impulsgever en het controleapparaat en op de verbinding tussen de aandrijfkabel of de elektrische bedrading van de impulsgever en het motorrijtuig;
b. op alle eventueel daar tussen liggende onderbreekbare punten;
c. op het mechanisme van het controleapparaat;
d. op de in het controleapparaat aanwezige kilometerteller;
e. op het aanpassingsorgaan en de aansluiting hiervan op het circuit;
f. op alle overige punten waarmee de instelling van het controleapparaat kan worden gewijzigd.
2. De verzegeling op het mechanisme van het controleapparaat wordt slechts door een reparateur aangebracht; indien verbreking van deze verzegeling echter noodzakelijk is voor het wijzigen van de kilometertellerstand, mag de verzegeling door de installateur worden aangebracht.
3. In geval van verbreking in het belang van opsporing door ambtenaren als bedoeld in artikel 7 onder b en c, wordt, in afwijking van het eerste lid, een nieuwe verzegeling aangebracht op de plaatsen waar deze verbroken is.
4. Verbreking als bedoeld in het derde lid vindt slechts plaats ter controle van:
a. de juiste instelling van de apparaatconstante van het controleapparaat;
b. de juiste aansturing van de snelheidsbegrenzer voor zover dit geschiedt met daartoe door de Dienst Wegverkeer goedgekeurde testapparatuur;
c. de aanwezigheid van voorzieningen waarmee de juiste werking van het controleapparaat kan worden beïnvloed;
d. de aanwezigheid van voorzieningen waarmee de juiste werking van de snelheidsbegrenzer kan worden beïnvloed, indien het gestelde in artikel 16 lid 2 van de Erkenningsregeling Snelheidsbegrenzers van toepassing is.
5. Van de verzegeling als bedoeld in het derde lid, wordt aan de bestuurder een schriftelijke kennisgeving, gewaarmerkt door de betreffende ambtenaar en voorzien van het in artikel 7 onder b onderscheidenlijk cbedoelde verzegelnummer, uitgereikt met de reden waarom de verzegeling werd verbroken.