BWBR0009939
Geldig vanaf 1998-10-29
Artikel 4
Regeling eenmalige subsidies niet-winstbeogende instellingen
1. Voor de toepassing van artikel 3wordt voor het tijdvak van de geldigheidsduur van de beschikkingen tot vaststelling van de bedragen aan geldelijke steun met een ingangsdatum voor 1 januari 1998 overeenkomstig de desbetreffende DKP-regelingen uitgegaan van de in die beschikkingen vermelde waarden voor:
a. de jaarlijkse stijging van de variabele exploitatiekosten;
b. het rendement over het geïnvesteerd vermogen, en
c. de jaarlijkse stijging van de huurprijs.
2. Voor het tijdvak na het verstrijken van de geldigheidsduur van de in het eerste lid bedoelde beschikkingen overeenkomstig de desbetreffende DKP-regelingen wordt uitgegaan van:
a. een jaarlijkse stijging van de variabele exploitatiekosten met 3 procent;
b. een rendement over het geïnvesteerd vermogen van 7 procent, en
c. een jaarlijkse stijging van de huurprijs met 4,1 procent te rekenen vanaf 1 juli 1998.
3. Indien vóór het kalenderjaar 1988 geldelijke steun is verleend met toepassing van een DKP-regeling, wordt voorts voor elk tijdvak van tien jaar, ingaande op of na 1 januari 1998, rekening gehouden met een dynamische-kostprijshuur als bedoeld in de desbetreffende DKP-regeling, met dien verstande dat bij de berekening daarvan wordt uitgegaan van:
a. een jaarlijks gelijkblijven van de variabele exploitatiekosten;
b. een rendement over het geïnvesteerd vermogen van 7 procent, en
c. een jaarlijkse stijging van de huurprijs met 4,1 procent.
4. Indien in het kalenderjaar 1988 geldelijke steun is verleend met toepassing van een DKP-regeling, wordt voorts voor elk tijdvak van tien jaar, ingaande op of na 1 januari 1998, rekening gehouden met een dynamische-kostprijshuur als bedoeld in de desbetreffende DKP-regeling, met dien verstande dat bij de berekening daarvan wordt uitgegaan van:
a. een jaarlijks gelijkblijven van de variabele exploitatiekosten;
b. een rendement over het geïnvesteerd vermogen van 7 procent, en
c. een jaarlijks gelijkblijven van de huurprijs.
a. de jaarlijkse stijging van de variabele exploitatiekosten;
b. het rendement over het geïnvesteerd vermogen, en
c. de jaarlijkse stijging van de huurprijs.
2. Voor het tijdvak na het verstrijken van de geldigheidsduur van de in het eerste lid bedoelde beschikkingen overeenkomstig de desbetreffende DKP-regelingen wordt uitgegaan van:
a. een jaarlijkse stijging van de variabele exploitatiekosten met 3 procent;
b. een rendement over het geïnvesteerd vermogen van 7 procent, en
c. een jaarlijkse stijging van de huurprijs met 4,1 procent te rekenen vanaf 1 juli 1998.
3. Indien vóór het kalenderjaar 1988 geldelijke steun is verleend met toepassing van een DKP-regeling, wordt voorts voor elk tijdvak van tien jaar, ingaande op of na 1 januari 1998, rekening gehouden met een dynamische-kostprijshuur als bedoeld in de desbetreffende DKP-regeling, met dien verstande dat bij de berekening daarvan wordt uitgegaan van:
a. een jaarlijks gelijkblijven van de variabele exploitatiekosten;
b. een rendement over het geïnvesteerd vermogen van 7 procent, en
c. een jaarlijkse stijging van de huurprijs met 4,1 procent.
4. Indien in het kalenderjaar 1988 geldelijke steun is verleend met toepassing van een DKP-regeling, wordt voorts voor elk tijdvak van tien jaar, ingaande op of na 1 januari 1998, rekening gehouden met een dynamische-kostprijshuur als bedoeld in de desbetreffende DKP-regeling, met dien verstande dat bij de berekening daarvan wordt uitgegaan van:
a. een jaarlijks gelijkblijven van de variabele exploitatiekosten;
b. een rendement over het geïnvesteerd vermogen van 7 procent, en
c. een jaarlijks gelijkblijven van de huurprijs.