BWBR0009939
Geldig vanaf 1998-10-29
Artikel 20
Regeling eenmalige subsidies niet-winstbeogende instellingen
1. Subsidie wordt geweigerd indien het in de aanvraag gevraagde bedrag naar het oordeel van de minister:
a. hoger is dan het bedrag dat gelet op een doelmatige besteding van rijksgelden in het belang van de volkshuisvesting verantwoord is;
b. hoger is dan het bedrag dat in de omstandigheden van het geval redelijkerwijs nodig is om te komen tot een in het belang van de volkshuisvesting verantwoorde exploitatie van het verzorgingshuis, of
c. hoger is dan het bedrag dat van overheidswege aan garantie is ver-strekt voor een kapitaalmarktlening ten behoeve van de bouw van het verzorgingshuis, verminderd met de ten aanzien van dat verzorgingshuis overeenkomstig artikel 3, tweede lid, berekende som en de bedrijfswaarde, bedoeld in het tweede lid, onder b.
2. De minister neemt bij zijn oordeel in ieder geval in aanmerking:
a. in voorkomend geval het bedrag aan subsidie dat krachtens artikel 2 met betrekking tot het verzorgingshuis is vastgesteld ten gunste van de instelling;
b. het verschil tussen de boekwaarde en de door de minister bepaalde bedrijfswaarde van het verzorgingshuis;
c. het verschil tussen de boekwaarde en de door de minister bepaalde bedrijfswaarde van de overige goederen die in eigendom zijn van de instelling of waarop een recht van erfpacht is gevestigd dat toebehoort aan de instelling;
d. het eigen vermogen van de instelling;
e. de vermogensoverdrachten en de investeringen van de instelling vanaf 1 januari 1997, en
f. het totale bedrag aan financiële steun van derden ter dekking van het onder b bedoelde verschil.
3. Indien de instelling op de datum van indiening van de subsidie-aanvraag nog rechten ontleent aan een beschikking krachtens een DKP-regeling of indien een gemeente ten gunste van de instelling op de datum van indiening van de subsidie-aanvraag nog rechten ontleent aan een beschikking krachtens de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, is artikel 8van overeenkomstige toepassing.
a. hoger is dan het bedrag dat gelet op een doelmatige besteding van rijksgelden in het belang van de volkshuisvesting verantwoord is;
b. hoger is dan het bedrag dat in de omstandigheden van het geval redelijkerwijs nodig is om te komen tot een in het belang van de volkshuisvesting verantwoorde exploitatie van het verzorgingshuis, of
c. hoger is dan het bedrag dat van overheidswege aan garantie is ver-strekt voor een kapitaalmarktlening ten behoeve van de bouw van het verzorgingshuis, verminderd met de ten aanzien van dat verzorgingshuis overeenkomstig artikel 3, tweede lid, berekende som en de bedrijfswaarde, bedoeld in het tweede lid, onder b.
2. De minister neemt bij zijn oordeel in ieder geval in aanmerking:
a. in voorkomend geval het bedrag aan subsidie dat krachtens artikel 2 met betrekking tot het verzorgingshuis is vastgesteld ten gunste van de instelling;
b. het verschil tussen de boekwaarde en de door de minister bepaalde bedrijfswaarde van het verzorgingshuis;
c. het verschil tussen de boekwaarde en de door de minister bepaalde bedrijfswaarde van de overige goederen die in eigendom zijn van de instelling of waarop een recht van erfpacht is gevestigd dat toebehoort aan de instelling;
d. het eigen vermogen van de instelling;
e. de vermogensoverdrachten en de investeringen van de instelling vanaf 1 januari 1997, en
f. het totale bedrag aan financiële steun van derden ter dekking van het onder b bedoelde verschil.
3. Indien de instelling op de datum van indiening van de subsidie-aanvraag nog rechten ontleent aan een beschikking krachtens een DKP-regeling of indien een gemeente ten gunste van de instelling op de datum van indiening van de subsidie-aanvraag nog rechten ontleent aan een beschikking krachtens de Regeling geldelijke steun huurwoningen normkostensysteem 1988, is artikel 8van overeenkomstige toepassing.