BWBR0009939
Geldig vanaf 1998-10-29
Artikel 15
Regeling eenmalige subsidies niet-winstbeogende instellingen
1. Subsidie wordt geweigerd indien het in de aanvraag gevraagde bedrag naar het oordeel van de minister:
a. hoger is dan het bedrag dat gelet op een doelmatige besteding van rijksgelden in het belang van de volkshuisvesting verantwoord is;
b. hoger is dan het bedrag dat in de omstandigheden van het geval redelijkerwijs nodig is om te komen tot een in het belang van de volkshuisvesting verantwoorde exploitatie van de in eigendom te verkrijgen goederen, of
c. hoger is dan het bedrag dat van overheidswege aan garantie is verstrekt voor een kapitaalmarktlening ten behoeve van de bouw van de woningen of woongebouwen, waarvoor geldelijke steun krachtens een DKP-regeling is verstrekt en die in eigendom zullen worden verkregen, verminderd met de ten aanzien van die woningen of woongebouwen overeenkomstig artikel 3, tweede lid, berekende som en de bedrijfswaarde, bedoeld in het tweede lid, onder b.
2. De minister neemt bij zijn oordeel in ieder geval in aanmerking:
a. in voorkomend geval het bedrag aan subsidie dat krachtens artikel 2 is vastgesteld ten gunste van de instelling waarvan de goederen in eigendom zullen worden verkregen;
b. het verschil tussen de boekwaarde en de door de minister bepaalde bedrijfswaarde van de goederen die door de instelling waaraan de subsidie zal worden verstrekt, zullen worden overgenomen;
c. het verschil tussen de boekwaarde en de door de minister bepaalde bedrijfswaarde van de goederen van de onder a bedoelde instelling die door de onder b bedoelde instelling, niet zullen worden overgenomen;
d. in voorkomend geval het bedrag aan subsidie dat krachtens artikel 19 is vastgesteld ten gunste van de onder a bedoelde instelling;
e. het eigen vermogen van de onder a bedoelde instelling;
f. de vermogensoverdrachten en de investeringen van de onder a bedoelde instelling vanaf 1 januari 1997, en
g. het totale bedrag aan financiële steun van derden ter dekking van het onder b bedoelde verschil.
3. Subsidie wordt voorts geweigerd voorzover met betrekking tot de over te nemen goederen subsidie krachtens artikel 19is vastgesteld.
4. In de gevallen, bedoeld in artikel 17, zesde en zevende lid, is artikel 8, eerste lid, van overeenkomstige toepassing.
a. hoger is dan het bedrag dat gelet op een doelmatige besteding van rijksgelden in het belang van de volkshuisvesting verantwoord is;
b. hoger is dan het bedrag dat in de omstandigheden van het geval redelijkerwijs nodig is om te komen tot een in het belang van de volkshuisvesting verantwoorde exploitatie van de in eigendom te verkrijgen goederen, of
c. hoger is dan het bedrag dat van overheidswege aan garantie is verstrekt voor een kapitaalmarktlening ten behoeve van de bouw van de woningen of woongebouwen, waarvoor geldelijke steun krachtens een DKP-regeling is verstrekt en die in eigendom zullen worden verkregen, verminderd met de ten aanzien van die woningen of woongebouwen overeenkomstig artikel 3, tweede lid, berekende som en de bedrijfswaarde, bedoeld in het tweede lid, onder b.
2. De minister neemt bij zijn oordeel in ieder geval in aanmerking:
a. in voorkomend geval het bedrag aan subsidie dat krachtens artikel 2 is vastgesteld ten gunste van de instelling waarvan de goederen in eigendom zullen worden verkregen;
b. het verschil tussen de boekwaarde en de door de minister bepaalde bedrijfswaarde van de goederen die door de instelling waaraan de subsidie zal worden verstrekt, zullen worden overgenomen;
c. het verschil tussen de boekwaarde en de door de minister bepaalde bedrijfswaarde van de goederen van de onder a bedoelde instelling die door de onder b bedoelde instelling, niet zullen worden overgenomen;
d. in voorkomend geval het bedrag aan subsidie dat krachtens artikel 19 is vastgesteld ten gunste van de onder a bedoelde instelling;
e. het eigen vermogen van de onder a bedoelde instelling;
f. de vermogensoverdrachten en de investeringen van de onder a bedoelde instelling vanaf 1 januari 1997, en
g. het totale bedrag aan financiële steun van derden ter dekking van het onder b bedoelde verschil.
3. Subsidie wordt voorts geweigerd voorzover met betrekking tot de over te nemen goederen subsidie krachtens artikel 19is vastgesteld.
4. In de gevallen, bedoeld in artikel 17, zesde en zevende lid, is artikel 8, eerste lid, van overeenkomstige toepassing.