BWBR0009939
Geldig vanaf 1998-10-29
Artikel 3
Regeling eenmalige subsidies niet-winstbeogende instellingen
1. Het subsidiebedrag wordt overeenkomstig het tweede tot en met zesde lid vastgesteld.
2. De som van de contante waarden op 1 januari 1998 van de op of na die datum door de minister krachtens een DKP-regeling ten gunste van de instelling verschuldigde bedragen aan geldelijke steun wordt vermeerderd met een rente van 6,75 procent per jaar te rekenen vanaf 1 januari 1998 tot de datum van betaling van het subsidiebedrag.
3. Het overeenkomstig het tweede lid berekende bedrag wordt verminderd met de jaarlijkse bedragen aan geldelijke steun die op of na 1 januari 1998 zijn betaald, vermeerderd met een rente van 6,75 procent per jaar te rekenen vanaf de datum van betaling van de desbetreffende jaarlijkse bedragen tot de datum van betaling van het subsidiebedrag.
4. Tot de bedragen, bedoeld in het tweede en derde lid, behoren niet de bedragen aan geldelijke steun die betrekking hebben op een exploitatiejaar dat op 1 december 1997 is verstreken.
5. Voor de berekening van de rentes, bedoeld in het tweede en derde lid, wordt uitgegaan van maanden van 30 dagen en van jaren van 360 dagen.
6. De minister kan een eerder tijdstip vaststellen tot welke de rentes, bedoeld in het tweede en derde lid, worden berekend indien de subsidievaststelling naar het oordeel van de minister wordt vertraagd door handelen of nalaten van de subsidie-aanvrager.
2. De som van de contante waarden op 1 januari 1998 van de op of na die datum door de minister krachtens een DKP-regeling ten gunste van de instelling verschuldigde bedragen aan geldelijke steun wordt vermeerderd met een rente van 6,75 procent per jaar te rekenen vanaf 1 januari 1998 tot de datum van betaling van het subsidiebedrag.
3. Het overeenkomstig het tweede lid berekende bedrag wordt verminderd met de jaarlijkse bedragen aan geldelijke steun die op of na 1 januari 1998 zijn betaald, vermeerderd met een rente van 6,75 procent per jaar te rekenen vanaf de datum van betaling van de desbetreffende jaarlijkse bedragen tot de datum van betaling van het subsidiebedrag.
4. Tot de bedragen, bedoeld in het tweede en derde lid, behoren niet de bedragen aan geldelijke steun die betrekking hebben op een exploitatiejaar dat op 1 december 1997 is verstreken.
5. Voor de berekening van de rentes, bedoeld in het tweede en derde lid, wordt uitgegaan van maanden van 30 dagen en van jaren van 360 dagen.
6. De minister kan een eerder tijdstip vaststellen tot welke de rentes, bedoeld in het tweede en derde lid, worden berekend indien de subsidievaststelling naar het oordeel van de minister wordt vertraagd door handelen of nalaten van de subsidie-aanvrager.