BWBR0009766
Geldig vanaf 1998-07-12
Artikel 9
Subsidieregeling zeldzame landbouwhuisdierrassen
1. De subsidie-ontvanger dient telkens binnen vier weken nadat een heel jaar van het tijdvak, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, is verstreken, bij Dienst Regelingen een aanvraag tot subsidievaststelling in door gebruikmaking van een daartoe bestemd formulier.
2. De aanvraag tot subsidievaststelling gaat vergezeld van een afschrift van het register, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder b, naar de stand van de laatste dag van het jaar waarop de aanvraag betrekking heeft, alsmede van schriftelijke bescheiden uit de administratie van de subsidie-ontvanger, waaruit blijkt dat de in het register vermelde dieren zijn geregistreerd door een erkende organisatie als bedoeld in artikel 3 van het Fokkerijbesluit.
3. De subsidieontvanger voegt bij de aanvraag tot subsidievaststelling als bedoeld in het eerste lid, een verklaring dat de in de opgave vermelde dieren voldoen aan de in bijlage 1 van deze regeling genoemde minimum bloedvoeringspercentages.
2. De aanvraag tot subsidievaststelling gaat vergezeld van een afschrift van het register, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder b, naar de stand van de laatste dag van het jaar waarop de aanvraag betrekking heeft, alsmede van schriftelijke bescheiden uit de administratie van de subsidie-ontvanger, waaruit blijkt dat de in het register vermelde dieren zijn geregistreerd door een erkende organisatie als bedoeld in artikel 3 van het Fokkerijbesluit.
3. De subsidieontvanger voegt bij de aanvraag tot subsidievaststelling als bedoeld in het eerste lid, een verklaring dat de in de opgave vermelde dieren voldoen aan de in bijlage 1 van deze regeling genoemde minimum bloedvoeringspercentages.