BWBR0009766
Geldig vanaf 1998-07-12
Artikel 8
Subsidieregeling zeldzame landbouwhuisdierrassen
1. De subsidieontvanger is verplicht gedurende een tijdvak van 5 jaar, te rekenen vanaf de door de minister bij het besluit als bedoeld in artikel 5, eerste lid, te bepalen datum:
a. per ras het aantal zeldzame landbouwhuisdieren op zijn landbouwbedrijf, omgerekend in GVE, op een niveau te handhaven dat ten minste gelijk is aan het aantal zeldzame landbouwhuisdieren van dat ras, omgerekend in GVE, waarvoor subsidie is verleend,
b. een bedrijfsregister en een administratie bij te houden en binnen drie dagen iedere mutatie ten aanzien van een zeldzaam landbouwhuisdier te registreren,
c. indien van toepassing: de goede landbouwpraktijken op het gehele landbouwbedrijf in acht te nemen, en
d. indien van toepassing: het veebezettingsgetal als bedoeld in artikel 3, derde lid, op het landbouwbedrijf in acht te nemen.
2. De subsidieontvanger is verplicht bij Dienst Regelingen door gebruikmaking van een daartoe bestemd formulier binnen twee maanden aangifte te doen van een mutatie van het aantal zeldzame landbouwhuisdieren van een bepaald ras dat wordt gehouden, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder vermelding van de reden van deze mutatie.
3. Indien de subsidieontvanger bij de aangifte, bedoeld in het tweede lid, aangeeft dat de daling van het aantal op zijn bedrijf gehouden zeldzame landbouwhuisdieren het gevolg is van verkoop, sterfte of noodslachting, heeft deze daling geen gevolgen voor de beschikking tot subsidieverlening onderscheidenlijk de beschikking tot subsidievaststelling, mits:
a) het verkochte, gestorven of in nood geslachte zeldzame landbouwhuisdier van het betrokken ras binnen 2 maanden na de datum waarop het dier het bedrijf heeft verlaten is vervangen door een zeldzaam landbouwhuisdier van hetzelfde ras en met dezelfde waarde in GVE,
b) de vervanging binnen een termijn van 2 maanden als bedoeld in onderdeel a, door middel van het door Dienst Regelingen voorgeschreven formulier aan Dienst Regelingen is gemeld, en
c) het vervangende dier op het moment van vervanging is geregistreerd door een erkende organisatie als bedoeld in artikel 3 van het Fokkerijbesluit en ingeschreven is in het stamboek.
4. Indien de subsidie-ontvanger bij de aangifte, bedoeld in het tweede lid, aantoont dat de daling van het aantal op zijn bedrijf gehouden zeldzame landbouwhuisdieren van een bepaald ras het gevolg is van overmacht heeft deze daling geen gevolgen voor de beschikking tot subsidieverlening. De subsidie-ontvanger is in dat geval verplicht het aantal zeldzame landbouwhuisdieren van het betrokken ras binnen een jaar na de datum van de aangifte weer terug te brengen op het niveau, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a.
a. per ras het aantal zeldzame landbouwhuisdieren op zijn landbouwbedrijf, omgerekend in GVE, op een niveau te handhaven dat ten minste gelijk is aan het aantal zeldzame landbouwhuisdieren van dat ras, omgerekend in GVE, waarvoor subsidie is verleend,
b. een bedrijfsregister en een administratie bij te houden en binnen drie dagen iedere mutatie ten aanzien van een zeldzaam landbouwhuisdier te registreren,
c. indien van toepassing: de goede landbouwpraktijken op het gehele landbouwbedrijf in acht te nemen, en
d. indien van toepassing: het veebezettingsgetal als bedoeld in artikel 3, derde lid, op het landbouwbedrijf in acht te nemen.
2. De subsidieontvanger is verplicht bij Dienst Regelingen door gebruikmaking van een daartoe bestemd formulier binnen twee maanden aangifte te doen van een mutatie van het aantal zeldzame landbouwhuisdieren van een bepaald ras dat wordt gehouden, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder vermelding van de reden van deze mutatie.
3. Indien de subsidieontvanger bij de aangifte, bedoeld in het tweede lid, aangeeft dat de daling van het aantal op zijn bedrijf gehouden zeldzame landbouwhuisdieren het gevolg is van verkoop, sterfte of noodslachting, heeft deze daling geen gevolgen voor de beschikking tot subsidieverlening onderscheidenlijk de beschikking tot subsidievaststelling, mits:
a) het verkochte, gestorven of in nood geslachte zeldzame landbouwhuisdier van het betrokken ras binnen 2 maanden na de datum waarop het dier het bedrijf heeft verlaten is vervangen door een zeldzaam landbouwhuisdier van hetzelfde ras en met dezelfde waarde in GVE,
b) de vervanging binnen een termijn van 2 maanden als bedoeld in onderdeel a, door middel van het door Dienst Regelingen voorgeschreven formulier aan Dienst Regelingen is gemeld, en
c) het vervangende dier op het moment van vervanging is geregistreerd door een erkende organisatie als bedoeld in artikel 3 van het Fokkerijbesluit en ingeschreven is in het stamboek.
4. Indien de subsidie-ontvanger bij de aangifte, bedoeld in het tweede lid, aantoont dat de daling van het aantal op zijn bedrijf gehouden zeldzame landbouwhuisdieren van een bepaald ras het gevolg is van overmacht heeft deze daling geen gevolgen voor de beschikking tot subsidieverlening. De subsidie-ontvanger is in dat geval verplicht het aantal zeldzame landbouwhuisdieren van het betrokken ras binnen een jaar na de datum van de aangifte weer terug te brengen op het niveau, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a.