BWBR0009705
Geldig vanaf 1998-09-01
Artikel 26
Besluit hardheidsgevallen herstructurering varkenshouderij
1. Een bedrijf komt uitsluitend voor de toepassing van hoofdstuk 2in aanmerking indien de belanghebbende bij de melding, bedoeld in artikel 2, verzoekt om doorhaling van de ten aanzien van het bedrijf geregistreerde gegevens betreffende het niet-gebonden mestproductierecht voor varkens en kippen geldend op de dag voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 15 van de wet.
2. Voor de toepassing van het eerste lid is artikel 41, derde lid, van de wetvan overeenkomstige toepassing.
3. De doorhaling betreft de hoeveelheid die wordt bepaald door het verschil tussen het overeenkomstig dit besluit bepaalde varkensrecht en het grondgebonden deel daarvan achtereenvolgens te vermenigvuldigen met 100/90 en 7,4 kilogram fosfaat en het product te vermeerderen met de latente ruimte.
4. Bij de doorhaling neemt het niet-gebonden mestproductierecht voor varkens en kippen van het bedrijf af met de hoeveelheid, bedoeld in het derde lid, tot een hoeveelheid van ten minste nihil.
5. Indien het varkensrecht is bepaald overeenkomstig hoofdstuk 2, paragraaf 1, wordt de latente ruimte bepaald door overeenkomstige toepassing van artikel 55a, vierde lid, van de Meststoffenwetmet dien verstande dat in dat lid en in artikel 1, eerste lid, onderdeel ad, van die wetin plaats van «1996» telkens wordt gelezen «1994», en in plaats van « artikel 5, eerste lid, onderdeel c, van de Wet herstructurering varkenshouderij» wordt gelezen: artikel 1, eerste lid, onderdeel e, van dit besluit.
6. Indien het varkensrecht is bepaald overeenkomstig hoofdstuk 2, paragraaf 2, 4of 7A, komt de latente ruimte overeen met 11% van het overeenkomstig artikel 8, eerste lid, onderscheidenlijk artikel 14, aangegeven deel van het aantal kilogrammen fosfaat dat wordt bepaald door het niet-gebonden mestproductierecht voor varkens en kippen geldend met betrekking tot 1996 te verminderen met 10%.
7. Indien het varkensrecht is vergroot overeenkomstig hoofdstuk 2, paragraaf 3, wordt de latente ruimte bepaald door het niet-gebonden mestproductierecht voor varkens en kippen zoals dat zou gelden op 1 januari 1998 indien geen rekening wordt gehouden met na 9 juli 1997 gedane kennisgevingen van verplaatsing met betrekking tot dit recht, achtereenvolgens te verminderen met:
a. het aantal kilogrammen fosfaat dat wordt bepaald door het verschil tussen het overeenkomstig hoofdstuk II, paragraaf 3, vergrote varkensrecht en het grondgebonden deel daarvan te vermenigvuldigen met 100/90, het product vervolgens te vermeerderen met dit grondgebonden deel en deze som te vermenigvuldigen met 7,4 kilogram fosfaat,
b. de mestproductie afkomstig van de in 1996 gehouden dieren van andere diersoorten dan varkens en kippen, voorzover deze mestproductie groter is dan de som van het grondgebonden mestproductierecht zoals dat zou gelden op 1 januari 1998 indien geen rekening wordt gehouden met wijzigingen in de oppervlakte tot het bedrijf behorende landbouwgrond van na 9 juli 1997, en het niet-gebonden mestproductierecht voor deze diersoorten zoals zou gelden op 1 januari 1998 indien geen rekening wordt gehouden met na 9 juli 1997 gedane kennisgevingen van verplaatsing met betrekking tot dit recht, en
c. de mestproductie afkomstig van de in 1996 gehouden kippen.
De latente ruimte is ten minste nihil.
8. Indien het varkensrecht is bepaald overeenkomstig hoofdstuk 2, paragrafen 5, 6, 6B, 6Cof 7, wordt de latente ruimte bepaald overeenkomstig artikel 55a, vierde lid, onderscheidenlijk vijfde lid, eerste volzin, van de Meststoffenwet, met dien verstande dat, indien het varkensrecht is bepaald overeenkomstig hoofdstuk 2, paragraaf 6C, de mestproductie wordt bepaald overeenkomstig artikel 55, achtste lid, van de Meststoffenweten voor de toepassing van dat lid:
het gemiddeld in 1996 of 1995 op het bedrijf gehouden aantal varkens het overeenkomstig artikel 19g bepaalde aantal is;
het gemiddeld in 1996 of 1995 op het bedrijf gehouden aantal dieren van andere diersoorten dan varkens, het aantal is dat met betrekking tot het desbetreffende bedrijf en het desbetreffende jaar is opgegeven overeenkomstig de artikelen 4 en 5 van de Regeling landbouwtelling 1996 of de artikelen 4 en 5 van de Regeling landbouwtelling 1995, verminderd met 10%.
9. Indien het varkensrecht is bepaald overeenkomstig hoofdstuk 2, paragraaf 6A, wordt de latente ruimte van elk van de tot de inrichting behorende bedrijven per afzonderlijk bedrijf bepaald overeenkomstig artikel 55a, vierde lid, onderscheidenlijk vijfde lid, eerste volzin, van de Meststoffenwet.
10. Indien het varkensrecht is bepaald overeenkomstig hoofdstuk 2, paragraaf 7B, wordt de latente ruimte bepaald overeenkomstig het zevende lid, met dien verstande dat in onderdeel ain plaats van « paragraaf 3» wordt gelezen« paragraaf 7B» en in plaats van «in 1996» telkens wordt gelezen: in 1997.
11. Indien het varkensrecht is bepaald overeenkomstig hoofdstuk 2, paragraaf 7C, wordt de latente ruimte bepaald overeenkomstig artikel 55a, vijfde lid, tweede volzin, van de Meststoffenwet.
12. In afwijking in zoverre van het derde lid vindt geen doorhaling van de latente ruimte plaats ten aanzien van een daartoe aangemeld bedrijf voor het bij de melding aangegeven aantal kilogrammen fosfaat dat ten hoogste overeenkomt met het niet-benutte deel van het niet-gebonden mestproductierecht voor varkens en kippen, indien voldaan is aan elk van de voorwaarden, bedoeld in artikel 23. Artikel 23is voor het in de eerste volzin bedoelde bedrijf van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat indien het varkensrecht is bepaald overeenkomstig hoofdstuk 2, paragraaf 1, in dat artikel in plaats van «1996» telkens wordt gelezen: 1994.
13. Voor de toepassing van het derde lid en het zevende lid, onderdeel a, is artikel 55a, derde lid, van de Meststoffenwetvan overeenkomstige toepassing.
14. Voor de toepassing van het zesde lid is artikel 24 van de wetvan overeenkomstige toepassing.
15. Indien het varkensrecht wordt bepaald overeenkomstig artikel 7 van de wet, wordt in het zevende lid in plaats van «1996» telkens gelezen: 1995.
2. Voor de toepassing van het eerste lid is artikel 41, derde lid, van de wetvan overeenkomstige toepassing.
3. De doorhaling betreft de hoeveelheid die wordt bepaald door het verschil tussen het overeenkomstig dit besluit bepaalde varkensrecht en het grondgebonden deel daarvan achtereenvolgens te vermenigvuldigen met 100/90 en 7,4 kilogram fosfaat en het product te vermeerderen met de latente ruimte.
4. Bij de doorhaling neemt het niet-gebonden mestproductierecht voor varkens en kippen van het bedrijf af met de hoeveelheid, bedoeld in het derde lid, tot een hoeveelheid van ten minste nihil.
5. Indien het varkensrecht is bepaald overeenkomstig hoofdstuk 2, paragraaf 1, wordt de latente ruimte bepaald door overeenkomstige toepassing van artikel 55a, vierde lid, van de Meststoffenwetmet dien verstande dat in dat lid en in artikel 1, eerste lid, onderdeel ad, van die wetin plaats van «1996» telkens wordt gelezen «1994», en in plaats van « artikel 5, eerste lid, onderdeel c, van de Wet herstructurering varkenshouderij» wordt gelezen: artikel 1, eerste lid, onderdeel e, van dit besluit.
6. Indien het varkensrecht is bepaald overeenkomstig hoofdstuk 2, paragraaf 2, 4of 7A, komt de latente ruimte overeen met 11% van het overeenkomstig artikel 8, eerste lid, onderscheidenlijk artikel 14, aangegeven deel van het aantal kilogrammen fosfaat dat wordt bepaald door het niet-gebonden mestproductierecht voor varkens en kippen geldend met betrekking tot 1996 te verminderen met 10%.
7. Indien het varkensrecht is vergroot overeenkomstig hoofdstuk 2, paragraaf 3, wordt de latente ruimte bepaald door het niet-gebonden mestproductierecht voor varkens en kippen zoals dat zou gelden op 1 januari 1998 indien geen rekening wordt gehouden met na 9 juli 1997 gedane kennisgevingen van verplaatsing met betrekking tot dit recht, achtereenvolgens te verminderen met:
a. het aantal kilogrammen fosfaat dat wordt bepaald door het verschil tussen het overeenkomstig hoofdstuk II, paragraaf 3, vergrote varkensrecht en het grondgebonden deel daarvan te vermenigvuldigen met 100/90, het product vervolgens te vermeerderen met dit grondgebonden deel en deze som te vermenigvuldigen met 7,4 kilogram fosfaat,
b. de mestproductie afkomstig van de in 1996 gehouden dieren van andere diersoorten dan varkens en kippen, voorzover deze mestproductie groter is dan de som van het grondgebonden mestproductierecht zoals dat zou gelden op 1 januari 1998 indien geen rekening wordt gehouden met wijzigingen in de oppervlakte tot het bedrijf behorende landbouwgrond van na 9 juli 1997, en het niet-gebonden mestproductierecht voor deze diersoorten zoals zou gelden op 1 januari 1998 indien geen rekening wordt gehouden met na 9 juli 1997 gedane kennisgevingen van verplaatsing met betrekking tot dit recht, en
c. de mestproductie afkomstig van de in 1996 gehouden kippen.
De latente ruimte is ten minste nihil.
8. Indien het varkensrecht is bepaald overeenkomstig hoofdstuk 2, paragrafen 5, 6, 6B, 6Cof 7, wordt de latente ruimte bepaald overeenkomstig artikel 55a, vierde lid, onderscheidenlijk vijfde lid, eerste volzin, van de Meststoffenwet, met dien verstande dat, indien het varkensrecht is bepaald overeenkomstig hoofdstuk 2, paragraaf 6C, de mestproductie wordt bepaald overeenkomstig artikel 55, achtste lid, van de Meststoffenweten voor de toepassing van dat lid:
het gemiddeld in 1996 of 1995 op het bedrijf gehouden aantal varkens het overeenkomstig artikel 19g bepaalde aantal is;
het gemiddeld in 1996 of 1995 op het bedrijf gehouden aantal dieren van andere diersoorten dan varkens, het aantal is dat met betrekking tot het desbetreffende bedrijf en het desbetreffende jaar is opgegeven overeenkomstig de artikelen 4 en 5 van de Regeling landbouwtelling 1996 of de artikelen 4 en 5 van de Regeling landbouwtelling 1995, verminderd met 10%.
9. Indien het varkensrecht is bepaald overeenkomstig hoofdstuk 2, paragraaf 6A, wordt de latente ruimte van elk van de tot de inrichting behorende bedrijven per afzonderlijk bedrijf bepaald overeenkomstig artikel 55a, vierde lid, onderscheidenlijk vijfde lid, eerste volzin, van de Meststoffenwet.
10. Indien het varkensrecht is bepaald overeenkomstig hoofdstuk 2, paragraaf 7B, wordt de latente ruimte bepaald overeenkomstig het zevende lid, met dien verstande dat in onderdeel ain plaats van « paragraaf 3» wordt gelezen« paragraaf 7B» en in plaats van «in 1996» telkens wordt gelezen: in 1997.
11. Indien het varkensrecht is bepaald overeenkomstig hoofdstuk 2, paragraaf 7C, wordt de latente ruimte bepaald overeenkomstig artikel 55a, vijfde lid, tweede volzin, van de Meststoffenwet.
12. In afwijking in zoverre van het derde lid vindt geen doorhaling van de latente ruimte plaats ten aanzien van een daartoe aangemeld bedrijf voor het bij de melding aangegeven aantal kilogrammen fosfaat dat ten hoogste overeenkomt met het niet-benutte deel van het niet-gebonden mestproductierecht voor varkens en kippen, indien voldaan is aan elk van de voorwaarden, bedoeld in artikel 23. Artikel 23is voor het in de eerste volzin bedoelde bedrijf van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat indien het varkensrecht is bepaald overeenkomstig hoofdstuk 2, paragraaf 1, in dat artikel in plaats van «1996» telkens wordt gelezen: 1994.
13. Voor de toepassing van het derde lid en het zevende lid, onderdeel a, is artikel 55a, derde lid, van de Meststoffenwetvan overeenkomstige toepassing.
14. Voor de toepassing van het zesde lid is artikel 24 van de wetvan overeenkomstige toepassing.
15. Indien het varkensrecht wordt bepaald overeenkomstig artikel 7 van de wet, wordt in het zevende lid in plaats van «1996» telkens gelezen: 1995.