BWBR0009705
Geldig vanaf 1998-09-01
Artikel 21f
Besluit hardheidsgevallen herstructurering varkenshouderij
1. Het varkensrecht van een bedrijf als bedoeld in artikel 21ekomt overeen met 90% van het aantal varkenseenheden dat wordt bepaald door het door de belanghebbende daartoe bij de melding, bedoeld in artikel 2, aangegeven deel van het niet-gebonden mestproductierecht voor varkens en kippen geldend met betrekking tot 1996 te delen door 7,4 kilogram fosfaat en op de uitkomst 18% in mindering te brengen.
2. Het fokzeugenrecht komt overeen met het bij de melding, bedoeld in artikel 2, aangegeven deel van het aantal varkenseenheden dat naar keuze van de belanghebbende wordt bepaald door:
a. een percentage van het varkensrecht, welk percentage wordt bepaald door het in 1994 gemiddeld op het bedrijf gehouden aantal fokzeugen te delen door het in 1994 gemiddeld op het bedrijf gehouden aantal varkens en de uitkomst te vermenigvuldigen met 100, dan wel
b. het in 1996 gemiddeld op het bedrijf gehouden aantal fokzeugen, verminderd met 10%.
3. De in het tweede lid, onderdeel a, bedoelde aantallen varkens en fokzeugen zijn de aantallen die met betrekking tot het bedrijf zijn opgegeven in de aangifte overschotheffing 1994. Indien het fokzeugenrecht wordt bepaald overeenkomstig het tweede lid, onderdeel b, is <a href="/wet/BWBR0009542/artikel/6" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 6, derde, vierde, vijfde en zesde lid, van de wet</a>van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in plaats van «varkens, onderscheidenlijk fokzeugen,» telkens wordt gelezen: fokzeugen.
4. De <a href="/wet/BWBR0009542/artikel/9" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikelen 9</a>en <a href="/wet/BWBR0009542/artikel/10" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">10 van de wet</a>zijn van overeenkomstige toepassing op het overeenkomstig het eerste en tweede lid bepaalde varkensrecht, onderscheidenlijk fokzeugenrecht.
2. Het fokzeugenrecht komt overeen met het bij de melding, bedoeld in artikel 2, aangegeven deel van het aantal varkenseenheden dat naar keuze van de belanghebbende wordt bepaald door:
a. een percentage van het varkensrecht, welk percentage wordt bepaald door het in 1994 gemiddeld op het bedrijf gehouden aantal fokzeugen te delen door het in 1994 gemiddeld op het bedrijf gehouden aantal varkens en de uitkomst te vermenigvuldigen met 100, dan wel
b. het in 1996 gemiddeld op het bedrijf gehouden aantal fokzeugen, verminderd met 10%.
3. De in het tweede lid, onderdeel a, bedoelde aantallen varkens en fokzeugen zijn de aantallen die met betrekking tot het bedrijf zijn opgegeven in de aangifte overschotheffing 1994. Indien het fokzeugenrecht wordt bepaald overeenkomstig het tweede lid, onderdeel b, is <a href="/wet/BWBR0009542/artikel/6" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 6, derde, vierde, vijfde en zesde lid, van de wet</a>van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in plaats van «varkens, onderscheidenlijk fokzeugen,» telkens wordt gelezen: fokzeugen.
4. De <a href="/wet/BWBR0009542/artikel/9" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikelen 9</a>en <a href="/wet/BWBR0009542/artikel/10" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">10 van de wet</a>zijn van overeenkomstige toepassing op het overeenkomstig het eerste en tweede lid bepaalde varkensrecht, onderscheidenlijk fokzeugenrecht.