BWBR0007963
Geldig vanaf 1996-06-05
Artikel 2.5
Besluit concessies koolwaterstoffen Nederlands territoir 1996
Binnen drie maanden na het einde van een kalenderjaar zendt de concessiehouder aan Onze Minister een opgave – overeenkomstig een door Onze Minister vastgesteld model – van:
a. de hoeveelheden van de aardolie, die in dat jaar in het concessiegebied zijn ontgonnen en beschikbaar gekomen;
b. de hoeveelheden van de aardolie, welke: 1°. door de concessiehouder ten behoeve van de ontginning in eigen bedrijf zijn gebruikt;
2°. zijn verkocht;
3°. anderszins aan het ontginningsbedrijf zijn onttrokken;
1°. door de concessiehouder ten behoeve van de ontginning in eigen bedrijf zijn gebruikt;
2°. zijn verkocht;
3°. anderszins aan het ontginningsbedrijf zijn onttrokken;
c. de verkoopprijs of de verrekenprijs van die aardolie;
d. de in artikel 2.4, eerste lid, onder a tot en met d, bedoelde bedragen, die op de verkoopprijs in mindering kunnen worden gebracht;
e. het bedrag van de cijns, die hij naar zijn oordeel op grond daarvan verschuldigd zal zijn.
a. de hoeveelheden van de aardolie, die in dat jaar in het concessiegebied zijn ontgonnen en beschikbaar gekomen;
b. de hoeveelheden van de aardolie, welke: 1°. door de concessiehouder ten behoeve van de ontginning in eigen bedrijf zijn gebruikt;
2°. zijn verkocht;
3°. anderszins aan het ontginningsbedrijf zijn onttrokken;
1°. door de concessiehouder ten behoeve van de ontginning in eigen bedrijf zijn gebruikt;
2°. zijn verkocht;
3°. anderszins aan het ontginningsbedrijf zijn onttrokken;
c. de verkoopprijs of de verrekenprijs van die aardolie;
d. de in artikel 2.4, eerste lid, onder a tot en met d, bedoelde bedragen, die op de verkoopprijs in mindering kunnen worden gebracht;
e. het bedrag van de cijns, die hij naar zijn oordeel op grond daarvan verschuldigd zal zijn.