BWBR0007963
Geldig vanaf 1996-06-05
Artikel 2.27
Besluit concessies koolwaterstoffen Nederlands territoir 1996
1. De concessiehouder is verplicht volgens methoden, welke bij een modern en goed gevoerd ontginningsbedrijf algemeen gebruikelijk zijn, en met inachtneming van de door Onze Minister te geven aanwijzingen te meten en regelmatig in een register in te schrijven de hoeveelheden in het concessiegebied ontgonnen en beschikbaar gekomen koolwaterstoffen, zomede de hoeveelheden koolwaterstoffen, welke ten behoeve van de ontginning in eigen bedrijf zijn verbruikt en de hoeveelheden van het aardgas, welke elders in Nederland of in het Nederlandse deel van het continentaal plat in de ondergrond zijn gebracht ten behoeve van de ontginning van koolwaterstoffen.
2. De concessiehouder stelt, indien de Inspecteur-Generaal der Mijnen controle van de meetapparatuur nodig oordeelt, deze en de door hem aangewezen ambtenaren van het Staatstoezicht op de Mijnen daartoe in de gelegenheid en verleent bij zodanige controle alle nodige medewerking. Ter staving van de juistheid en volledigheid van het in het vierde lid bedoelde maandelijkse onderscheidenlijk jaarlijkse uittreksel, verschaft de concessiehouder voorts alle zodanige gegevens als ter controle nodig zullen blijken en verstrekt hij aan de in de eerste volzin bedoelde ambtenaren, zomede aan de door Onze Minister aangewezen andere ambtenaren, accountants of andere deskundigen tot dat doel inzage in het in het eerste lid bedoelde register en in andere boeken en bescheiden.
3. Indien een inspectie-ambtenaar een onnauwkeurigheid in de meetapparatuur constateert, kan Onze Minister bepalen, dat deze onnauwkeurigheid geacht wordt te hebben bestaan gedurende 30 dagen voorafgaande aan het constateren daarvan of, indien binnen die 30 dagen een voorafgaande controle had plaatsgevonden, vanaf die voorafgaande controle. De concessiehouder is in zodanig geval verplicht zijn registers dienovereenkomstig te corrigeren.
4. De concessiehouder is verplicht binnen 14 dagen na het einde van iedere kalendermaand en van ieder kalenderjaar aan Onze Minister en aan de Inspecteur-Generaal der Mijnen een uittreksel te zenden van de totalen der gedurende die maand onderscheidenlijk dat jaar verrichte boekingen in het in het eerste lid bedoelde register, in een door Onze Minister aan te geven vorm.
2. De concessiehouder stelt, indien de Inspecteur-Generaal der Mijnen controle van de meetapparatuur nodig oordeelt, deze en de door hem aangewezen ambtenaren van het Staatstoezicht op de Mijnen daartoe in de gelegenheid en verleent bij zodanige controle alle nodige medewerking. Ter staving van de juistheid en volledigheid van het in het vierde lid bedoelde maandelijkse onderscheidenlijk jaarlijkse uittreksel, verschaft de concessiehouder voorts alle zodanige gegevens als ter controle nodig zullen blijken en verstrekt hij aan de in de eerste volzin bedoelde ambtenaren, zomede aan de door Onze Minister aangewezen andere ambtenaren, accountants of andere deskundigen tot dat doel inzage in het in het eerste lid bedoelde register en in andere boeken en bescheiden.
3. Indien een inspectie-ambtenaar een onnauwkeurigheid in de meetapparatuur constateert, kan Onze Minister bepalen, dat deze onnauwkeurigheid geacht wordt te hebben bestaan gedurende 30 dagen voorafgaande aan het constateren daarvan of, indien binnen die 30 dagen een voorafgaande controle had plaatsgevonden, vanaf die voorafgaande controle. De concessiehouder is in zodanig geval verplicht zijn registers dienovereenkomstig te corrigeren.
4. De concessiehouder is verplicht binnen 14 dagen na het einde van iedere kalendermaand en van ieder kalenderjaar aan Onze Minister en aan de Inspecteur-Generaal der Mijnen een uittreksel te zenden van de totalen der gedurende die maand onderscheidenlijk dat jaar verrichte boekingen in het in het eerste lid bedoelde register, in een door Onze Minister aan te geven vorm.