BWBR0007963
Geldig vanaf 1996-06-05
Artikel 2.13
Besluit concessies koolwaterstoffen Nederlands territoir 1996
1. Bij het opmaken van een resultatenrekening als bedoeld in artikel 2.12worden in het credit daarvan gebracht:
a. de opbrengst van in het concessiegebied ontgonnen en beschikbaar gekomen delfstoffen;
b. de opbrengst van verkochte produktiemiddelen, die ten behoeve van de ontginning in het concessiegebied werden aangeschaft, dan wel de waarde in het economisch verkeer van aan het bedrijf onttrokken produktiemiddelen, een en ander voor zover zij de aanschaffingswaarde, vermeerderd met de kosten van verbetering en verminderd met de tot de datum van verkoop ten laste van een resultatenrekening gebrachte afschrijvingen, te boven gaan, echter onder aftrek van bedragen, die uit deze opbrengst dan wel waarde tot afschrijving op andere, ter vervanging dienende produktiemiddelen strekken;
c. andere met of door het verrichten van mijnbouwkundige onderzoekingen in het concessiegebied en de ontginning van delfstoffen in dat gebied verkregen voordelen zoals vergoedingen voor ter beschikking gestelde kennis en diensten dan wel de waarde in het economisch verkeer van anderszins aan het bedrijf onttrokken kennis en diensten, met uitzondering van bedragen, welke de concessiehouder van de ingevolge artikel 8c, onder a, van de wet aangewezen vennootschap ontvangt ter verkrijging van een aandeel in de eigendom van de werken, die door het doen van investeringen vóór het van kracht worden van de ingevolge artikel 8c, onder a, van de wet te sluiten overeenkomst van samenwerking tot stand zijn gekomen, daaronder begrepen de daarvóór gemaakte kosten, welke naar redelijkheid kunnen worden toegerekend aan de werkzaamheden, welke tot het aantonen van een voorkomen van koolwaterstoffen in het concessiegebied hebben geleid, na aftrek van de daarmee in verband staande opbrengsten.
2. Bij het opmaken van een resultatenrekening als bedoeld in artikel 2.12worden in het debet daarvan gebracht:
a. de kosten van het binnen het concessiegebied verrichten van mijnbouwkundige onderzoekingen, gemaakt na de dag, waarop de concessie van kracht is geworden, en de kosten van de ontginning in het concessiegebied en van de aflevering van daaruit ontgonnen en beschikbaar gekomen delfstoffen, een en ander zowel wat de directe als de naar redelijkheid vast te stellen indirecte en algemene kosten betreft;
b. de kosten van andere mijnbouwkundige onderzoekingen ten behoeve van de opsporing en ontginning van delfstoffen in Nederland, gemaakt na de dag, waarop de concessie van kracht is geworden, met uitzondering van die kosten, welke reeds ten laste van een andere resultatenrekening zijn gebracht;
c. afschrijvingen op de niet reeds ten laste van een andere resultatenrekening gebrachte kosten van met betrekking tot het concessiegebied verrichte mijnbouwkundige onderzoekingen, welke zijn gemaakt na 1 januari 1976 en vóór de dag, waarop de concessie van kracht is geworden, voor zover die kosten geen betrekking hebben op een gebied als onder b bedoeld;
d. afschrijvingen op de aanschaffings- of voortbrengingskosten van ten behoeve van de ontginning in het concessiegebied in gebruik zijnde duurzame produktiemiddelen;
e. de niet reeds ten laste van een resultatenrekening als onder b bedoeld gebrachte afschrijvingen op de aanschaffings- of voortbrengingskosten van alle in gebruik zijnde duurzame produktiemiddelen welke in het kader van de opsporing en ontginning van in de concessie genoemde koolwaterstoffen worden aangewend anders dan onder d bedoeld;
f. de door de concessiehouder aan de staat verschuldigde belastingen en andere Nederlandse publiekrechtelijke lasten voor zover deze als bedrijfslasten van de onder a en b bedoelde activiteiten zijn te beschouwen, met uitzondering van de belastingen en lasten, welke reeds ten laste van een andere resultatenrekening zijn gebracht, de naar inkomen, winst of vermogen geheven belastingen en hun voorheffingen, alsmede van de ingevolge de concessie verschuldigde bedragen, berekend naar met de ontginning binnen het concessiegebied behaalde winst;
g. een bedrag van 20% der kosten, bedoeld onder a tot en met c;
h. een bedrag van 70% der kosten, bedoeld onder d en e.
3. Voor de toepassing van het eerste lid gelden als opbrengsten of voordelen:
a. mede de waarde van de in het concessiegebied ontgonnen en beschikbaar gekomen delfstoffen, die anders dan door verkoop aan het ontginningsbedrijf zijn onttrokken, zomede de naar goed koopmansgebruik gewaardeerde verschillen tussen begin- en eindvoorraden;
b. niet de waarde van in het concessiegebied ontgonnen en beschikbaar gekomen delfstoffen, die door de concessiehouder in eigen bedrijf ten behoeve van het verrichten van mijnbouwkundige onderzoekingen of de ontginning zijn verbruikt.
4. Voor zover de concessiehouder in het concessiegebied ontgonnen en beschikbaar gekomen koolwaterstoffen anders dan door verkoop aan het ontginningsbedrijf heeft onttrokken, geldt voor de bepaling van de in het eerste lid, onder a, bedoelde opbrengst als waarde van de koolwaterstoffen de door Onze Minister krachtens artikel 2.26goedgekeurde verrekenprijs.
5. Voor de toepassing van het tweede lid gelden als kosten niet:
a. de bedragen, betaald voor kennis, verkregen uit mijnbouwkundige onderzoekingen of de ontginning van koolwaterstoffen, verricht door derden, voor zover niet aannemelijk wordt gemaakt, dat deze kennis is verworven ten behoeve van activiteiten als in het tweede lid, onder a tot en met c, bedoeld, en deze bedragen nog niet ten laste van een andere resultatenrekening zijn gebracht;
b. de rente over eigen vermogen van de concessiehouder en over vermogen, dat vóór de verlening van de concessie is verschaft door ondernemingen, die tot dezelfde groep behoren;
c. de waarde van in het concessiegebied ontgonnen en beschikbaar gekomen delfstoffen, die door de concessiehouder in eigen bedrijf ten behoeve van het verrichten van mijnbouwkundige onderzoekingen of de ontginning zijn verbruikt;
d. uitgaven, waarvan niet aannemelijk is, dat zij zijn gedaan ter verkrijging van de in artikel 2.12 bedoelde opbrengsten.
6. Kosten of opbrengsten, welke blijken niet te zijn opgenomen in de vastgestelde resultatenrekening over het jaar, waarop zij betrekking hebben, worden opgenomen in de resultatenrekening over het jaar, waarin van die kosten onderscheidenlijk die opbrengsten is gebleken.
a. de opbrengst van in het concessiegebied ontgonnen en beschikbaar gekomen delfstoffen;
b. de opbrengst van verkochte produktiemiddelen, die ten behoeve van de ontginning in het concessiegebied werden aangeschaft, dan wel de waarde in het economisch verkeer van aan het bedrijf onttrokken produktiemiddelen, een en ander voor zover zij de aanschaffingswaarde, vermeerderd met de kosten van verbetering en verminderd met de tot de datum van verkoop ten laste van een resultatenrekening gebrachte afschrijvingen, te boven gaan, echter onder aftrek van bedragen, die uit deze opbrengst dan wel waarde tot afschrijving op andere, ter vervanging dienende produktiemiddelen strekken;
c. andere met of door het verrichten van mijnbouwkundige onderzoekingen in het concessiegebied en de ontginning van delfstoffen in dat gebied verkregen voordelen zoals vergoedingen voor ter beschikking gestelde kennis en diensten dan wel de waarde in het economisch verkeer van anderszins aan het bedrijf onttrokken kennis en diensten, met uitzondering van bedragen, welke de concessiehouder van de ingevolge artikel 8c, onder a, van de wet aangewezen vennootschap ontvangt ter verkrijging van een aandeel in de eigendom van de werken, die door het doen van investeringen vóór het van kracht worden van de ingevolge artikel 8c, onder a, van de wet te sluiten overeenkomst van samenwerking tot stand zijn gekomen, daaronder begrepen de daarvóór gemaakte kosten, welke naar redelijkheid kunnen worden toegerekend aan de werkzaamheden, welke tot het aantonen van een voorkomen van koolwaterstoffen in het concessiegebied hebben geleid, na aftrek van de daarmee in verband staande opbrengsten.
2. Bij het opmaken van een resultatenrekening als bedoeld in artikel 2.12worden in het debet daarvan gebracht:
a. de kosten van het binnen het concessiegebied verrichten van mijnbouwkundige onderzoekingen, gemaakt na de dag, waarop de concessie van kracht is geworden, en de kosten van de ontginning in het concessiegebied en van de aflevering van daaruit ontgonnen en beschikbaar gekomen delfstoffen, een en ander zowel wat de directe als de naar redelijkheid vast te stellen indirecte en algemene kosten betreft;
b. de kosten van andere mijnbouwkundige onderzoekingen ten behoeve van de opsporing en ontginning van delfstoffen in Nederland, gemaakt na de dag, waarop de concessie van kracht is geworden, met uitzondering van die kosten, welke reeds ten laste van een andere resultatenrekening zijn gebracht;
c. afschrijvingen op de niet reeds ten laste van een andere resultatenrekening gebrachte kosten van met betrekking tot het concessiegebied verrichte mijnbouwkundige onderzoekingen, welke zijn gemaakt na 1 januari 1976 en vóór de dag, waarop de concessie van kracht is geworden, voor zover die kosten geen betrekking hebben op een gebied als onder b bedoeld;
d. afschrijvingen op de aanschaffings- of voortbrengingskosten van ten behoeve van de ontginning in het concessiegebied in gebruik zijnde duurzame produktiemiddelen;
e. de niet reeds ten laste van een resultatenrekening als onder b bedoeld gebrachte afschrijvingen op de aanschaffings- of voortbrengingskosten van alle in gebruik zijnde duurzame produktiemiddelen welke in het kader van de opsporing en ontginning van in de concessie genoemde koolwaterstoffen worden aangewend anders dan onder d bedoeld;
f. de door de concessiehouder aan de staat verschuldigde belastingen en andere Nederlandse publiekrechtelijke lasten voor zover deze als bedrijfslasten van de onder a en b bedoelde activiteiten zijn te beschouwen, met uitzondering van de belastingen en lasten, welke reeds ten laste van een andere resultatenrekening zijn gebracht, de naar inkomen, winst of vermogen geheven belastingen en hun voorheffingen, alsmede van de ingevolge de concessie verschuldigde bedragen, berekend naar met de ontginning binnen het concessiegebied behaalde winst;
g. een bedrag van 20% der kosten, bedoeld onder a tot en met c;
h. een bedrag van 70% der kosten, bedoeld onder d en e.
3. Voor de toepassing van het eerste lid gelden als opbrengsten of voordelen:
a. mede de waarde van de in het concessiegebied ontgonnen en beschikbaar gekomen delfstoffen, die anders dan door verkoop aan het ontginningsbedrijf zijn onttrokken, zomede de naar goed koopmansgebruik gewaardeerde verschillen tussen begin- en eindvoorraden;
b. niet de waarde van in het concessiegebied ontgonnen en beschikbaar gekomen delfstoffen, die door de concessiehouder in eigen bedrijf ten behoeve van het verrichten van mijnbouwkundige onderzoekingen of de ontginning zijn verbruikt.
4. Voor zover de concessiehouder in het concessiegebied ontgonnen en beschikbaar gekomen koolwaterstoffen anders dan door verkoop aan het ontginningsbedrijf heeft onttrokken, geldt voor de bepaling van de in het eerste lid, onder a, bedoelde opbrengst als waarde van de koolwaterstoffen de door Onze Minister krachtens artikel 2.26goedgekeurde verrekenprijs.
5. Voor de toepassing van het tweede lid gelden als kosten niet:
a. de bedragen, betaald voor kennis, verkregen uit mijnbouwkundige onderzoekingen of de ontginning van koolwaterstoffen, verricht door derden, voor zover niet aannemelijk wordt gemaakt, dat deze kennis is verworven ten behoeve van activiteiten als in het tweede lid, onder a tot en met c, bedoeld, en deze bedragen nog niet ten laste van een andere resultatenrekening zijn gebracht;
b. de rente over eigen vermogen van de concessiehouder en over vermogen, dat vóór de verlening van de concessie is verschaft door ondernemingen, die tot dezelfde groep behoren;
c. de waarde van in het concessiegebied ontgonnen en beschikbaar gekomen delfstoffen, die door de concessiehouder in eigen bedrijf ten behoeve van het verrichten van mijnbouwkundige onderzoekingen of de ontginning zijn verbruikt;
d. uitgaven, waarvan niet aannemelijk is, dat zij zijn gedaan ter verkrijging van de in artikel 2.12 bedoelde opbrengsten.
6. Kosten of opbrengsten, welke blijken niet te zijn opgenomen in de vastgestelde resultatenrekening over het jaar, waarop zij betrekking hebben, worden opgenomen in de resultatenrekening over het jaar, waarin van die kosten onderscheidenlijk die opbrengsten is gebleken.