BWBR0007667
Geldig vanaf 1996-01-01
Artikel 3
Bouwstoffenbesluit bodem- en oppervlaktewaterenbescherming
1. Behoudens het tweede, derde en vierde lid, zijn voor de toepassing van dit besluit en de daarop berustende bepalingen burgemeester en wethouders van de gemeente waar de bouwstoffen worden gebruikt, het bevoegd gezag.
2. Behoudens het derde en vierde lid, zijn gedeputeerde staten het bevoegd gezag, indien:
a. de bouwstoffen worden gebruikt, anders dan bij het bouwen van bouwwerken als bedoeld in artikel 1, onder a, van de Woningwet, en
b. de bouwstoffen worden gebruikt binnen een inrichting die is aangewezen krachtens artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer en waarvoor gedeputeerde staten voor de vergunningverlening krachtens die wet het bevoegd gezag zijn.
3. Behoudens het vierde lid, is Onze Minister het bevoegd gezag, indien:
a. de bouwstoffen worden gebruikt, anders dan bij het bouwen van bouwwerken als bedoeld in artikel 1, onder a, van de Woningwet, en
b. de bouwstoffen worden gebruikt binnen een inrichting die is aangewezen krachtens artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer en waarvoor Onze Minister voor de vergunningverlening krachtens die wet bevoegd gezag is.
4. De waterkwaliteitsbeheerder is het bevoegd gezag indien bouwstoffen worden gebruikt in oppervlaktewater of op of in de bodem onder oppervlaktewater.
2. Behoudens het derde en vierde lid, zijn gedeputeerde staten het bevoegd gezag, indien:
a. de bouwstoffen worden gebruikt, anders dan bij het bouwen van bouwwerken als bedoeld in artikel 1, onder a, van de Woningwet, en
b. de bouwstoffen worden gebruikt binnen een inrichting die is aangewezen krachtens artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer en waarvoor gedeputeerde staten voor de vergunningverlening krachtens die wet het bevoegd gezag zijn.
3. Behoudens het vierde lid, is Onze Minister het bevoegd gezag, indien:
a. de bouwstoffen worden gebruikt, anders dan bij het bouwen van bouwwerken als bedoeld in artikel 1, onder a, van de Woningwet, en
b. de bouwstoffen worden gebruikt binnen een inrichting die is aangewezen krachtens artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer en waarvoor Onze Minister voor de vergunningverlening krachtens die wet bevoegd gezag is.
4. De waterkwaliteitsbeheerder is het bevoegd gezag indien bouwstoffen worden gebruikt in oppervlaktewater of op of in de bodem onder oppervlaktewater.