BWBR0007667
Geldig vanaf 1996-01-01
Artikel 21
Bouwstoffenbesluit bodem- en oppervlaktewaterenbescherming
1. De bij of krachtens artikel 1, eerste, derde of vierde lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewaterengestelde verboden gelden niet voor het in oppervlaktewater gebruiken van categorie 1-bouwstoffen.
2. Degene die voornemens is een categorie 1-bouwstof te gebruiken in oppervlaktewater, meldt dit voornemen aan het bevoegd gezag uiterlijk vijf werkdagen voor het gebruiken.
3. Bij een melding als bedoeld in het tweede lid, worden de in bijlage 4bgenoemde gegevens verstrekt.
4. Indien bij een voorgenomen gebruik van een categorie1-bouwstof sprake is van verschillende partijen kunnen met uitzondering van de eerste partij de in bijlage 4b, onder punt 3, genoemde gegevens zo nodig in afwijking van het tweede lid uiterlijk twee werkdagen voor het gebruik van de desbetreffende bouwstof aan het bevoegd gezag worden verstrekt.
5. In afwijking van het derde lid worden bij een melding als bedoeld in het tweede lid van het gebruiken van een niet-vormgegeven bouwstof als bedoeld in artikel 22, zevende lid, in plaats van de in bijlage 4b, onder punt 3, genoemde gegevens met betrekking tot de immissie in oppervlaktewater, de gegevens als bedoeld in artikel 22, zevende lid, verstrekt.
6. In afwijking van het derde lid worden bij een melding als bedoeld in het tweede lid van het opnieuw asfalt gebruiken als bedoeld in artikel 22a, eerste lid, onder cof het opnieuw binnen een project gebruiken van categorie 1-bouwstoffen als bedoeld in artikel 22a, eerste lid, onder deel d, in plaats van de in bijlage 4b, onder punt 3genoemde gegevens, de gegevens als bedoeld in artikel 22a, eerste lid, onderdeel c respectievelijk d, onder 1° en 2°verstrekt.
7. Ten aanzien van het in oppervlaktewater gebruiken van een categorie 1-bouwstof zijn de regels, gesteld bij of krachtens artikel 7, tweede en derde lid, van overeenkomstige toepassing.
2. Degene die voornemens is een categorie 1-bouwstof te gebruiken in oppervlaktewater, meldt dit voornemen aan het bevoegd gezag uiterlijk vijf werkdagen voor het gebruiken.
3. Bij een melding als bedoeld in het tweede lid, worden de in bijlage 4bgenoemde gegevens verstrekt.
4. Indien bij een voorgenomen gebruik van een categorie1-bouwstof sprake is van verschillende partijen kunnen met uitzondering van de eerste partij de in bijlage 4b, onder punt 3, genoemde gegevens zo nodig in afwijking van het tweede lid uiterlijk twee werkdagen voor het gebruik van de desbetreffende bouwstof aan het bevoegd gezag worden verstrekt.
5. In afwijking van het derde lid worden bij een melding als bedoeld in het tweede lid van het gebruiken van een niet-vormgegeven bouwstof als bedoeld in artikel 22, zevende lid, in plaats van de in bijlage 4b, onder punt 3, genoemde gegevens met betrekking tot de immissie in oppervlaktewater, de gegevens als bedoeld in artikel 22, zevende lid, verstrekt.
6. In afwijking van het derde lid worden bij een melding als bedoeld in het tweede lid van het opnieuw asfalt gebruiken als bedoeld in artikel 22a, eerste lid, onder cof het opnieuw binnen een project gebruiken van categorie 1-bouwstoffen als bedoeld in artikel 22a, eerste lid, onder deel d, in plaats van de in bijlage 4b, onder punt 3genoemde gegevens, de gegevens als bedoeld in artikel 22a, eerste lid, onderdeel c respectievelijk d, onder 1° en 2°verstrekt.
7. Ten aanzien van het in oppervlaktewater gebruiken van een categorie 1-bouwstof zijn de regels, gesteld bij of krachtens artikel 7, tweede en derde lid, van overeenkomstige toepassing.