BWBR0007667
Geldig vanaf 1996-01-01
Artikel 14
Bouwstoffenbesluit bodem- en oppervlaktewaterenbescherming
1. Degene die een bouwstof, niet zijnde een categorie 1-bouwstof, op of in de bodem gebruikt, treft de volgende isolatiemaatregelen en daarbij behorende beheers- en controlemaatregelen:
a. voordat de bouwstof op of in de bodem wordt gebracht, wordt door een deskundig bedrijf de gemiddeld hoogste grondwaterstand ter plaatse van het gebruiken van de bouwstof en de te verwachten afstand tussen die grondwaterstand en de aan te brengen bouwstof bepaald;
b. de bouwstof wordt zodanig gebruikt dat deze zich, na zetting van de bodem, ten minste 0,5 m boven de gemiddeld hoogste grondwaterstand bevindt;
c. gedurende het houden van de bouwstof wordt periodiek de gemiddeld hoogste grondwaterstand ter plaatse van de aangebrachte bouwstof en de afstand van de bouwstof tot die grondwaterstand door een deskundig bedrijf bepaald en worden de daarbij verkregen gegevens op verzoek aan het bevoegd gezag overgelegd;
d. aan de bovenzijde van de bouwstof wordt een zodanige isolerende afdichting aangebracht dat nagenoeg geen contact van de bouwstof met hemelwater plaatsvindt, en
e. de afdichting wordt zodanig onderhouden en gecontroleerd dat haar isolerende werking is gewaarborgd.
2. Bij regeling van Onze Minister worden nadere regels gesteld omtrent de bepaling van de gemiddeld hoogste grondwaterstand en van de afstand van de bouwstof tot die grondwaterstand, bedoeld in het eerste lid, onder aen c, en het verstrekken van gegevens als bedoeld in onderdeel cvan dat lid. Tot die regels behoren in ieder geval regels met betrekking tot het onderzoek dat ten behoeve van die bepalingen moet worden verricht en de frequentie waarmee die bepalingen dienen plaats te vinden.
3. Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld omtrent het aanbrengen, het onderhoud en de controle van de isolerende bovenafdichting, bedoeld in het eerste lid, onder den e. Tot de in de eerste volzin bedoelde regels kan de eis behoren, dat de afdichting bij het aanbrengen en vervolgens periodiek door een deskundig bedrijf op haar isolerende werking wordt gekeurd. Bij de in de eerste volzin bedoelde regeling kunnen voorts regels worden gesteld omtrent het verstrekken aan het bevoegd gezag van gegevens, verkregen bij controles of keuringen van de afdichting.
4. Bij regeling van Onze Minister kunnen voor bouwstoffen, niet zijnde categorie 1-bouwstoffen, die op een bij die regeling aangewezen wijze worden gebruikt, de naar zijn oordeel geschikte maatregelen inzake een isolerende bovenafdichting als bedoeld in het eerste lid, onder den e, worden aangewezen.
5. Degene die een bouwstof, niet zijnde een categorie 1-bouwstof, gebruikt op de bij de regeling, bedoeld in het vierde lid, aangewezen wijze, en de voor die bouwstof bij die regeling aangewezen maatregelen inzake een isolerende bovenafdichting treft, voldoet aan de regels, gesteld bij of krachtens het eerste lid, onder den e, en derde lid.
6. Degene die voornemens is een bouwstof, niet zijnde een categorie 1-bouwstof, te gebruiken, overlegt, in geval op hem het vijfde lid niet van toepassing zal zijn, bij de melding, bedoeld in artikel 11, eerste lid, gegevens over de te verwachten isolerende werking van de isolatiemaatregelen en daarbij behorende beheers- en controlemaatregelen die hij ingevolge de bij of krachtens het eerste lid, onder den e, en derde lid, gestelde regels dient te treffen. De gegevens, bedoeld in de eerste volzin, worden opgesteld door een deskundig bedrijf.
a. voordat de bouwstof op of in de bodem wordt gebracht, wordt door een deskundig bedrijf de gemiddeld hoogste grondwaterstand ter plaatse van het gebruiken van de bouwstof en de te verwachten afstand tussen die grondwaterstand en de aan te brengen bouwstof bepaald;
b. de bouwstof wordt zodanig gebruikt dat deze zich, na zetting van de bodem, ten minste 0,5 m boven de gemiddeld hoogste grondwaterstand bevindt;
c. gedurende het houden van de bouwstof wordt periodiek de gemiddeld hoogste grondwaterstand ter plaatse van de aangebrachte bouwstof en de afstand van de bouwstof tot die grondwaterstand door een deskundig bedrijf bepaald en worden de daarbij verkregen gegevens op verzoek aan het bevoegd gezag overgelegd;
d. aan de bovenzijde van de bouwstof wordt een zodanige isolerende afdichting aangebracht dat nagenoeg geen contact van de bouwstof met hemelwater plaatsvindt, en
e. de afdichting wordt zodanig onderhouden en gecontroleerd dat haar isolerende werking is gewaarborgd.
2. Bij regeling van Onze Minister worden nadere regels gesteld omtrent de bepaling van de gemiddeld hoogste grondwaterstand en van de afstand van de bouwstof tot die grondwaterstand, bedoeld in het eerste lid, onder aen c, en het verstrekken van gegevens als bedoeld in onderdeel cvan dat lid. Tot die regels behoren in ieder geval regels met betrekking tot het onderzoek dat ten behoeve van die bepalingen moet worden verricht en de frequentie waarmee die bepalingen dienen plaats te vinden.
3. Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld omtrent het aanbrengen, het onderhoud en de controle van de isolerende bovenafdichting, bedoeld in het eerste lid, onder den e. Tot de in de eerste volzin bedoelde regels kan de eis behoren, dat de afdichting bij het aanbrengen en vervolgens periodiek door een deskundig bedrijf op haar isolerende werking wordt gekeurd. Bij de in de eerste volzin bedoelde regeling kunnen voorts regels worden gesteld omtrent het verstrekken aan het bevoegd gezag van gegevens, verkregen bij controles of keuringen van de afdichting.
4. Bij regeling van Onze Minister kunnen voor bouwstoffen, niet zijnde categorie 1-bouwstoffen, die op een bij die regeling aangewezen wijze worden gebruikt, de naar zijn oordeel geschikte maatregelen inzake een isolerende bovenafdichting als bedoeld in het eerste lid, onder den e, worden aangewezen.
5. Degene die een bouwstof, niet zijnde een categorie 1-bouwstof, gebruikt op de bij de regeling, bedoeld in het vierde lid, aangewezen wijze, en de voor die bouwstof bij die regeling aangewezen maatregelen inzake een isolerende bovenafdichting treft, voldoet aan de regels, gesteld bij of krachtens het eerste lid, onder den e, en derde lid.
6. Degene die voornemens is een bouwstof, niet zijnde een categorie 1-bouwstof, te gebruiken, overlegt, in geval op hem het vijfde lid niet van toepassing zal zijn, bij de melding, bedoeld in artikel 11, eerste lid, gegevens over de te verwachten isolerende werking van de isolatiemaatregelen en daarbij behorende beheers- en controlemaatregelen die hij ingevolge de bij of krachtens het eerste lid, onder den e, en derde lid, gestelde regels dient te treffen. De gegevens, bedoeld in de eerste volzin, worden opgesteld door een deskundig bedrijf.