BWBR0007667
Geldig vanaf 1996-01-01
Artikel 11
Bouwstoffenbesluit bodem- en oppervlaktewaterenbescherming
1. Degene die voornemens is een bouwstof op of in de bodem te gebruiken, meldt dit voornemen aan het bevoegd gezag.
2. Een melding als bedoeld in het eerste lid, wordt gedaan gelijktijdig met het voor of in verband met dat werk:
a. indienen van een aanvraag voor een vergunning als bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de Woningwet of, indien deze vergunning niet is vereist;
b. doen van een melding als bedoeld in artikel 42, eerste lid, onder a, van de Woningwet of, indien noch deze melding noch een vergunning als bedoeld onder a, is vereist;
c. indienen van een aanvraag voor een vergunning als bedoeld in artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer of, indien noch deze vergunning noch een vergunning als bedoeld onder a, noch een melding als bedoeld onder b, is vereist;
d. doen van een melding als bedoeld in artikel 8.41, eerste lid, van de Wet milieubeheer of, indien noch deze melding, noch een melding als bedoeld onder b, noch een vergunning als bedoeld onder a of onder c, is vereist;
e. indienen van een aanvraag voor een vergunning als bedoeld in artikel 14 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, indien het bestuursorgaan dat bevoegd is een vergunning als bedoeld onder a, c of e, te verlenen of het bestuursorgaan tot wie een melding als bedoeld onder b of d, moet worden gericht tevens voor het betreffende gebruiken van bouwstoffen krachtens artikel 3 het bevoegd gezag is.
3. Indien enig voor een melding benodigd gegeven nog niet bekend is op het tijdstip waarop een aanvraag voor een vergunning wordt ingediend of een melding wordt gedaan als bedoeld in het tweede lid, onder a tot en met e, dan wordt dat gegeven aan het bevoegd gezag verstrekt:
a. ten minste vijf werkdagen voor het gebruiken bij een voorgenomen gebruik van grond die behoort tot de categorie 1-bouwstoffen, of
b. ten minste een maand voor het gebruiken bij een voorgenomen gebruik van een andere bouwstof.
4. Het derde lid is van overeenkomstige toepassing in geval van wijziging van bij een melding verstrekte gegevens.
5. Indien zich niet één van de gevallen, bedoeld in het tweede lid, voordoet, wordt een melding als bedoeld in het eerste lid, gedaan:
a. ten minste vijf werkdagen voor het gebruiken bij een voorgenomen gebruik van grond die behoort tot de categorie 1-bouwstoffen, of
b. ten minste een maand voor het gebruiken bij een voorgenomen gebruik van een andere bouwstof.
6. Indien bij een voorgenomen gebruik van een bouwstof, niet zijnde grond die behoort tot de categorie 1-bouwstoffen, de in bijlage 3, onder punt 4, genoemde gegevens nog niet bekend zijn op het tijdstip waarop de melding, bedoeld in het eerste lid, dient te worden gedaan, worden deze gegevens, zo nodig in afwijking van het tweede, derde of vijfde lid, uiterlijk vijf werkdagen voor het gebruik van de desbetreffende bouwstof aan het bevoegd gezag verstrekt.
7. Bij een melding als bedoeld in het eerste lid, worden de in bijlage 3genoemde gegevens verstrekt. Voor zover deze gegevens reeds in het kader van een aanvraag voor een vergunning of in het kader van een melding als bedoeld in het tweede lid, onder a tot en met e, worden verstrekt, behoeven deze niet meer bij de melding te worden verstrekt. De melding wordt gedaan op een formulier waarvan het model wordt vastgesteld door Onze Minister.
8. Onze Minister kan nadere regels stellen met betrekking tot de bij de melding te verstrekken gegevens.
9. Dit artikel is niet van toepassing op het gebruiken van een categorie 1-bouwstof, niet zijnde grond.
10. Indien bij een voorgenomen gebruik van een bouwstof sprake is van verschillende partijen kunnen met uitzondering van de eerste partij de in bijlage 3, onder punt 4, genoemde gegevens zo nodig in afwijking van het derde lid, onderdeel a, vijfde lid, onderdeel a, en zesde lid uiterlijk twee werkdagen voor het gebruik van de desbetreffende bouwstof aan het bevoegd gezag worden verstrekt.
11. In afwijking van het zevende lid worden bij een melding als bedoeld in het eerste lid van het gebruik van een niet-vormgegeven bouwstof zijnde grond als bedoeld in artikel 9, elfde lid, in plaats van de in bijlage 3, onder punt 4, genoemde gegevens met betrekking tot de immissie in de bodem, de gegevens als bedoeld in artikel 9, elfde lid, verstrekt.
12. In afwijking van het zevende lid worden bij een melding als bedoeld in het eerste lid van het opnieuw binnen een project gebruiken van categorie 1-bouwstoffen zijnde grond als bedoeld in artikel 9a, eerste lid, onderdeel d, in plaats van de in bijlage 3, onder punt 4, genoemde gegevens, de gegevens als bedoeld in artikel 9a, eerste lid, onderdeel d, onder 1° en 2°verstrekt.
2. Een melding als bedoeld in het eerste lid, wordt gedaan gelijktijdig met het voor of in verband met dat werk:
a. indienen van een aanvraag voor een vergunning als bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de Woningwet of, indien deze vergunning niet is vereist;
b. doen van een melding als bedoeld in artikel 42, eerste lid, onder a, van de Woningwet of, indien noch deze melding noch een vergunning als bedoeld onder a, is vereist;
c. indienen van een aanvraag voor een vergunning als bedoeld in artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer of, indien noch deze vergunning noch een vergunning als bedoeld onder a, noch een melding als bedoeld onder b, is vereist;
d. doen van een melding als bedoeld in artikel 8.41, eerste lid, van de Wet milieubeheer of, indien noch deze melding, noch een melding als bedoeld onder b, noch een vergunning als bedoeld onder a of onder c, is vereist;
e. indienen van een aanvraag voor een vergunning als bedoeld in artikel 14 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, indien het bestuursorgaan dat bevoegd is een vergunning als bedoeld onder a, c of e, te verlenen of het bestuursorgaan tot wie een melding als bedoeld onder b of d, moet worden gericht tevens voor het betreffende gebruiken van bouwstoffen krachtens artikel 3 het bevoegd gezag is.
3. Indien enig voor een melding benodigd gegeven nog niet bekend is op het tijdstip waarop een aanvraag voor een vergunning wordt ingediend of een melding wordt gedaan als bedoeld in het tweede lid, onder a tot en met e, dan wordt dat gegeven aan het bevoegd gezag verstrekt:
a. ten minste vijf werkdagen voor het gebruiken bij een voorgenomen gebruik van grond die behoort tot de categorie 1-bouwstoffen, of
b. ten minste een maand voor het gebruiken bij een voorgenomen gebruik van een andere bouwstof.
4. Het derde lid is van overeenkomstige toepassing in geval van wijziging van bij een melding verstrekte gegevens.
5. Indien zich niet één van de gevallen, bedoeld in het tweede lid, voordoet, wordt een melding als bedoeld in het eerste lid, gedaan:
a. ten minste vijf werkdagen voor het gebruiken bij een voorgenomen gebruik van grond die behoort tot de categorie 1-bouwstoffen, of
b. ten minste een maand voor het gebruiken bij een voorgenomen gebruik van een andere bouwstof.
6. Indien bij een voorgenomen gebruik van een bouwstof, niet zijnde grond die behoort tot de categorie 1-bouwstoffen, de in bijlage 3, onder punt 4, genoemde gegevens nog niet bekend zijn op het tijdstip waarop de melding, bedoeld in het eerste lid, dient te worden gedaan, worden deze gegevens, zo nodig in afwijking van het tweede, derde of vijfde lid, uiterlijk vijf werkdagen voor het gebruik van de desbetreffende bouwstof aan het bevoegd gezag verstrekt.
7. Bij een melding als bedoeld in het eerste lid, worden de in bijlage 3genoemde gegevens verstrekt. Voor zover deze gegevens reeds in het kader van een aanvraag voor een vergunning of in het kader van een melding als bedoeld in het tweede lid, onder a tot en met e, worden verstrekt, behoeven deze niet meer bij de melding te worden verstrekt. De melding wordt gedaan op een formulier waarvan het model wordt vastgesteld door Onze Minister.
8. Onze Minister kan nadere regels stellen met betrekking tot de bij de melding te verstrekken gegevens.
9. Dit artikel is niet van toepassing op het gebruiken van een categorie 1-bouwstof, niet zijnde grond.
10. Indien bij een voorgenomen gebruik van een bouwstof sprake is van verschillende partijen kunnen met uitzondering van de eerste partij de in bijlage 3, onder punt 4, genoemde gegevens zo nodig in afwijking van het derde lid, onderdeel a, vijfde lid, onderdeel a, en zesde lid uiterlijk twee werkdagen voor het gebruik van de desbetreffende bouwstof aan het bevoegd gezag worden verstrekt.
11. In afwijking van het zevende lid worden bij een melding als bedoeld in het eerste lid van het gebruik van een niet-vormgegeven bouwstof zijnde grond als bedoeld in artikel 9, elfde lid, in plaats van de in bijlage 3, onder punt 4, genoemde gegevens met betrekking tot de immissie in de bodem, de gegevens als bedoeld in artikel 9, elfde lid, verstrekt.
12. In afwijking van het zevende lid worden bij een melding als bedoeld in het eerste lid van het opnieuw binnen een project gebruiken van categorie 1-bouwstoffen zijnde grond als bedoeld in artikel 9a, eerste lid, onderdeel d, in plaats van de in bijlage 3, onder punt 4, genoemde gegevens, de gegevens als bedoeld in artikel 9a, eerste lid, onderdeel d, onder 1° en 2°verstrekt.