BWBR0007667
Geldig vanaf 1996-01-01
Artikel 22
Bouwstoffenbesluit bodem- en oppervlaktewaterenbescherming
1. Een bouwstof wordt in oppervlaktewater slechts gebruikt indien voor de in bijlage 2vermelde organische stoffen en, in geval het grond betreft, tevens voor de in die bijlage vermelde anorganische stoffen de samenstelling van die bouwstof door een door Onze Ministers aangewezen instantie is bepaald.
2. De bepaling van de samenstelling van de bouwstof, bedoeld in het eerste lid, vindt plaats overeenkomstig de regels, gesteld bij of krachtens artikel 9, tweede en zesde lid, of zevende lid.
3. In afwijking van het tweede lid vindt voor grond de bepaling van de samenstelling plaats overeenkomstig de regels, gesteld bij of krachtens artikel 9, derde of zevende lid.
4. Een bouwstof wordt in oppervlaktewater slechts gebruikt indien voor de in bijlage 2vermelde anorganische stoffen de immissie in het oppervlaktewater als gevolg van emissie uit die bouwstof door een door Onze Ministers aangewezen instantie is bepaald.
5. De bepaling van de immissie in het oppervlaktewater, bedoeld in het vierde lid, vindt plaats overeenkomstig de regels, gesteld bij of krachtens artikel 9, vijfde en zesde lid, of zevende lid.
6. Degene die een categorie 1-bouwstof gebruikt en beschikt over een voor de desbetreffende bouwstof afgegeven, door Onze Ministers erkende kwaliteitsverklaring voldoet aan de bij of krachtens het eerste tot en met het vijfde lid gestelde regels.
7. Het vierde lid is niet van toepassing op het in oppervlaktewater gebruiken van niet-vormgegeven bouwstoffen, indien een door Onze Ministers aangewezen instantie het uitlooggedrag conform NEN 7373 heeft trachten te bepalen gedurende een periode van tenminste 28 dagen en daarbij een L/S-waarde is bereikt die kleiner is dan 2.
2. De bepaling van de samenstelling van de bouwstof, bedoeld in het eerste lid, vindt plaats overeenkomstig de regels, gesteld bij of krachtens artikel 9, tweede en zesde lid, of zevende lid.
3. In afwijking van het tweede lid vindt voor grond de bepaling van de samenstelling plaats overeenkomstig de regels, gesteld bij of krachtens artikel 9, derde of zevende lid.
4. Een bouwstof wordt in oppervlaktewater slechts gebruikt indien voor de in bijlage 2vermelde anorganische stoffen de immissie in het oppervlaktewater als gevolg van emissie uit die bouwstof door een door Onze Ministers aangewezen instantie is bepaald.
5. De bepaling van de immissie in het oppervlaktewater, bedoeld in het vierde lid, vindt plaats overeenkomstig de regels, gesteld bij of krachtens artikel 9, vijfde en zesde lid, of zevende lid.
6. Degene die een categorie 1-bouwstof gebruikt en beschikt over een voor de desbetreffende bouwstof afgegeven, door Onze Ministers erkende kwaliteitsverklaring voldoet aan de bij of krachtens het eerste tot en met het vijfde lid gestelde regels.
7. Het vierde lid is niet van toepassing op het in oppervlaktewater gebruiken van niet-vormgegeven bouwstoffen, indien een door Onze Ministers aangewezen instantie het uitlooggedrag conform NEN 7373 heeft trachten te bepalen gedurende een periode van tenminste 28 dagen en daarbij een L/S-waarde is bereikt die kleiner is dan 2.