BWBR0007077
Geldig vanaf 1995-01-01
Artikel 4
LPG-erkenningsregeling
1. Het inbouwproces moet geschieden in een overdekte en behoorlijk af te sluiten en goed verlichte ruimte welke voorzien is van verwarming.
2. De in het eerste lid bedoelde ruimte moet zodanige afmetingen hebben en zodanig zijn ingericht dat de motorrijtuigen waarin een LPG-installatie wordt ingebouwd in deze ruimte zodanig kunnen worden opgesteld dat zij van alle zijden goed toegankelijk zijn.
3. In de in het eerste lid bedoelde ruimte moet een doelmatige inspectieput of hefinrichting aanwezig zijn die geschikt is voor de motorrijtuigen waarin een LPG-installatie wordt ingebouwd. De inspectieput of hefinrichting moet degene die de inbouw verricht, in staat stellen de onderkant van een voertuig nagenoeg over de gehele lengte rechtopstaand te bewerken, hetgeen betekent dat de inspectieput een diepte en de hefinrichting een hefhoogte moet hebben van ten minste 1,40 m.
4. De inspectieput of hefinrichting moet zijn voorzien van een doelmatige verlichting; dit geldt niet voor hefinrichtingen welke niet zijn voorzien van rijplaten.
5. In de in het eerste lid bedoelde ruimte moet:
a. een doelmatige voorziening aanwezig zijn waarmee uitlaatgassen direct door een daartoe bestemde opening naar buiten kunnen worden afgevoerd, en
b. ten behoeve van de controle van de afstelling van de koplampen met behulp van het koplamptestapparaat, een vlakke, horizontale of nagenoeg horizontale, vloer van voldoende afmetingen aanwezig zijn waarop gelijktijdig zowel het in te bouwen motorrijtuig als het koplamptestapparaat kunnen worden geplaatst.
6. Er moet een ruimte aanwezig zijn waarin de administratie ter zake van de keuringen behoorlijk kan worden uitgevoerd: in deze ruimte moet zich een afsluitbare kast dan wel een gelijkwaardige voorziening bevinden, waarin waardepapieren zoals kenteken-delen afgesloten kunnen worden bewaard.
7. De in het eerste of zesde lid bedoelde ruimte moet zijn aangesloten op het openbare telefoonnet.
8. In de in het eerste of in het zesde lid bedoelde ruimte moet een voorziening aanwezig zijn, geschikt voor het gebruik van datacommunicatie. Deze voorziening moet bestaan uit een computer of terminal met een modem, geschikt voor de toegangsstructuur van een door de Dienst Wegverkeer geaccepteerd netwerk.
2. De in het eerste lid bedoelde ruimte moet zodanige afmetingen hebben en zodanig zijn ingericht dat de motorrijtuigen waarin een LPG-installatie wordt ingebouwd in deze ruimte zodanig kunnen worden opgesteld dat zij van alle zijden goed toegankelijk zijn.
3. In de in het eerste lid bedoelde ruimte moet een doelmatige inspectieput of hefinrichting aanwezig zijn die geschikt is voor de motorrijtuigen waarin een LPG-installatie wordt ingebouwd. De inspectieput of hefinrichting moet degene die de inbouw verricht, in staat stellen de onderkant van een voertuig nagenoeg over de gehele lengte rechtopstaand te bewerken, hetgeen betekent dat de inspectieput een diepte en de hefinrichting een hefhoogte moet hebben van ten minste 1,40 m.
4. De inspectieput of hefinrichting moet zijn voorzien van een doelmatige verlichting; dit geldt niet voor hefinrichtingen welke niet zijn voorzien van rijplaten.
5. In de in het eerste lid bedoelde ruimte moet:
a. een doelmatige voorziening aanwezig zijn waarmee uitlaatgassen direct door een daartoe bestemde opening naar buiten kunnen worden afgevoerd, en
b. ten behoeve van de controle van de afstelling van de koplampen met behulp van het koplamptestapparaat, een vlakke, horizontale of nagenoeg horizontale, vloer van voldoende afmetingen aanwezig zijn waarop gelijktijdig zowel het in te bouwen motorrijtuig als het koplamptestapparaat kunnen worden geplaatst.
6. Er moet een ruimte aanwezig zijn waarin de administratie ter zake van de keuringen behoorlijk kan worden uitgevoerd: in deze ruimte moet zich een afsluitbare kast dan wel een gelijkwaardige voorziening bevinden, waarin waardepapieren zoals kenteken-delen afgesloten kunnen worden bewaard.
7. De in het eerste of zesde lid bedoelde ruimte moet zijn aangesloten op het openbare telefoonnet.
8. In de in het eerste of in het zesde lid bedoelde ruimte moet een voorziening aanwezig zijn, geschikt voor het gebruik van datacommunicatie. Deze voorziening moet bestaan uit een computer of terminal met een modem, geschikt voor de toegangsstructuur van een door de Dienst Wegverkeer geaccepteerd netwerk.