BWBR0007077
Geldig vanaf 1995-01-01
Artikel 3
LPG-erkenningsregeling
1. De organisatiestructuur van het bedrijf moet in een organogram worden vastgelegd, waarin ten minste die functies moeten zijn vermeld welke een relatie hebben met de kwaliteitsborging van de LPG-inbouw.
2. Er moet, door middel van een verklaring, een directievertegenwoordiger zijn aangewezen die bevoegd en verantwoordelijk is voor het invoeren en op peil houden van het kwaliteitssysteem zoals bedoeld in de hoofdstukken 2en 4.
3. Met betrekking tot de hiernavolgende aspecten moet zijn vastgelegd welke personen verantwoordelijk zijn voor de juiste uitvoering van de aan die aspecten verbonden voorschriften alsmede welke personen bevoegd zijn tot het nemen van maatregelen om er voor te zorgen dat aan de voorschriften wordt voldaan:
a. beheersing van documenten;
b. ingangscontrole;
c. algemene voorwaarden voor (inbouw)procesbeheersing;
d. eindcontrole;
e. vrijgave voertuig;
f. controle- en meetmiddelen;
g. kwaliteitsregistratie, als bedoeld in artikel 30.
4. Tevens moet zijn vastgelegd wie de plaatsvervangers zijn van de in het derde lid bedoelde personen of moet zijn vastgelegd dat bij afwezigheid van één of meerdere van deze personen de desbetreffende werkzaamheden niet worden uitgevoerd.
2. Er moet, door middel van een verklaring, een directievertegenwoordiger zijn aangewezen die bevoegd en verantwoordelijk is voor het invoeren en op peil houden van het kwaliteitssysteem zoals bedoeld in de hoofdstukken 2en 4.
3. Met betrekking tot de hiernavolgende aspecten moet zijn vastgelegd welke personen verantwoordelijk zijn voor de juiste uitvoering van de aan die aspecten verbonden voorschriften alsmede welke personen bevoegd zijn tot het nemen van maatregelen om er voor te zorgen dat aan de voorschriften wordt voldaan:
a. beheersing van documenten;
b. ingangscontrole;
c. algemene voorwaarden voor (inbouw)procesbeheersing;
d. eindcontrole;
e. vrijgave voertuig;
f. controle- en meetmiddelen;
g. kwaliteitsregistratie, als bedoeld in artikel 30.
4. Tevens moet zijn vastgelegd wie de plaatsvervangers zijn van de in het derde lid bedoelde personen of moet zijn vastgelegd dat bij afwezigheid van één of meerdere van deze personen de desbetreffende werkzaamheden niet worden uitgevoerd.