BWBR0007077
Geldig vanaf 1995-01-01
Artikel 20
LPG-erkenningsregeling
1. Ten aanzien van de uitlaatgastester met lambdabepaling, de koolmonoxidemeter en de toerenteller moet steeds een geldig certificaat van eerste keuring dan wel herkeuring aanwezig zijn.
2. De koolmonoxydemeter moet, alvorens te worden gebruikt, worden gekalibreerd, waarbij het volgende in acht moet worden genomen:
a. de kalibratie moet geschieden met gecertificeerd kalibratiegas overeenkomstig de gebruiksaanwijzing van de fabrikant;
b. de kalibratie moet periodiek worden herhaald en het resultaat van elke kalibratie moet worden vastgelegd op een controlelijst waarvan een model is weergegeven in bijlage 2. De uiterste datum waarop de koolmonoxydemeter opnieuw moet worden gekalibreerd wordt na elke kalibratie volgens de in bijlage 2 beschreven systematiek bepaald en wordt op de controlelijst aangegeven;
c. indien tijdens de kalibratie blijkt dat de aanwijzing van de koolmonoxydemeter meer dan 0,2% vol afwijkt van de samenstelling van het kalibratiegas, moet de koolmonoxydemeter worden bijgesteld.
3. Tevens moet vóór elk gebruik van de uitlaatgastester met lambdabepaling of de koolmonoxidemeter worden gecontroleerd of het monsternamesysteem in goede staat verkeert.
4. Het koplamptestapparaat moet ten minste één keer per maand gecontroleerd worden op de aanwezigheid van mechanische gebreken, compleetheid en goede werking. De resultaten van deze controles moeten worden vastgelegd op de controlelijst waarvan het model is opgenomen in bijlage 3.
2. De koolmonoxydemeter moet, alvorens te worden gebruikt, worden gekalibreerd, waarbij het volgende in acht moet worden genomen:
a. de kalibratie moet geschieden met gecertificeerd kalibratiegas overeenkomstig de gebruiksaanwijzing van de fabrikant;
b. de kalibratie moet periodiek worden herhaald en het resultaat van elke kalibratie moet worden vastgelegd op een controlelijst waarvan een model is weergegeven in bijlage 2. De uiterste datum waarop de koolmonoxydemeter opnieuw moet worden gekalibreerd wordt na elke kalibratie volgens de in bijlage 2 beschreven systematiek bepaald en wordt op de controlelijst aangegeven;
c. indien tijdens de kalibratie blijkt dat de aanwijzing van de koolmonoxydemeter meer dan 0,2% vol afwijkt van de samenstelling van het kalibratiegas, moet de koolmonoxydemeter worden bijgesteld.
3. Tevens moet vóór elk gebruik van de uitlaatgastester met lambdabepaling of de koolmonoxidemeter worden gecontroleerd of het monsternamesysteem in goede staat verkeert.
4. Het koplamptestapparaat moet ten minste één keer per maand gecontroleerd worden op de aanwezigheid van mechanische gebreken, compleetheid en goede werking. De resultaten van deze controles moeten worden vastgelegd op de controlelijst waarvan het model is opgenomen in bijlage 3.