BWBR0007077
Geldig vanaf 1995-01-01
Artikel 25
LPG-erkenningsregeling
1. Onverminderd het bepaalde in artikel 17, tweede lid, moet het aanbrengen van de elektrische aansluitingen altijd geschieden overeenkomstig het daartoe door de fabrikant van de LPG-installatie overgelegde aansluitschema en moet het afstellen eveneens geschieden overeenkomstig door de fabrikant overgelegde documenten. Eventuele nadere aanwijzingen van de fabrikant neergelegd in deze documenten omtrent de wijze van monteren van onderdelen moeten zoveel mogelijk worden gevolgd.
2. Uit de in het eerste lid bedoelde documenten moet duidelijk blijken dat zij betrekking hebben op het desbetreffende voertuig. Dit betekent dat in ieder geval het model en type voertuig op het document moeten zijn vermeld. Tevens moet uit het document blijken dat het is afgegeven door de fabrikant of importeur van de installatie.
3. Ten einde het inademen van schadelijke uitlaatgassen zoveel mogelijk te beperken moet tijdens het draaien van de motor een afvoerslang aan de uitlaat zijn bevestigd.
4. Indien tijdens het inbouwen wordt geconstateerd dat onderdelen defect zijn of defect zijn geraakt, moeten deze als zodanig worden gemerkt en apart worden opgeslagen.
5. Het voertuig moet, nadat de LPG-tank is voorzien van LPG en nog niet is vastgesteld dat er geen sprake is van LPG-lekkage, onmiddellijk na binnenkomst in de werkplaats op lekkage worden gecontroleerd.
2. Uit de in het eerste lid bedoelde documenten moet duidelijk blijken dat zij betrekking hebben op het desbetreffende voertuig. Dit betekent dat in ieder geval het model en type voertuig op het document moeten zijn vermeld. Tevens moet uit het document blijken dat het is afgegeven door de fabrikant of importeur van de installatie.
3. Ten einde het inademen van schadelijke uitlaatgassen zoveel mogelijk te beperken moet tijdens het draaien van de motor een afvoerslang aan de uitlaat zijn bevestigd.
4. Indien tijdens het inbouwen wordt geconstateerd dat onderdelen defect zijn of defect zijn geraakt, moeten deze als zodanig worden gemerkt en apart worden opgeslagen.
5. Het voertuig moet, nadat de LPG-tank is voorzien van LPG en nog niet is vastgesteld dat er geen sprake is van LPG-lekkage, onmiddellijk na binnenkomst in de werkplaats op lekkage worden gecontroleerd.