BWBR0007077
Geldig vanaf 1995-01-01
Artikel 22
LPG-erkenningsregeling
1. Door middel van een ingangscontrole moet alvorens tot inbouw wordt overgegaan worden vastgesteld dat de onderdelen van de LPG-installatie aan de in hoofdstuk 5, afdeling 1, van de Regeling toelatingseisengestelde eisen voldoen.
2. Van de ingangscontrole moet een ingangscontrolerapport worden opgemaakt, waarvan het model is opgenomen in bijlage 4, welke moet worden ondertekend door de persoon die verantwoordelijk is voor de ingangscontrole.
3. De ingangscontrole moet op de volgende wijze geschieden:
a. ten aanzien van onderdelen die volgens artikel 5.2 en 5.3 van de Regeling toelatingseisen typegoedgekeurd moeten zijn, moet worden vastgesteld dat zij zijn voorzien van het vereiste identificatiemerk, dan wel dat zij zijn opgenomen in een daartoe door de RDW verstrekt overzicht;
b. ten aanzien van onderdelen die worden gemonteerd in voertuigen die moeten blijven voldoen aan het gestelde in het Besluit typekeuring motorrijtuigen luchtverontreiniging, moet worden vastgesteld dat, blijkens een door de RDW geautoriseerde verklaring, de informatie op de sticker overeenkomt met de relevante onderdelen van de LPG-installatie alsmede het desbetreffende voertuig. Bij G3-gassystemen moet deze controle plaatsvinden aan de hand van de bijgeleverde documentatie en moet met behulp van deze documentatie tevens worden vastgesteld of de LPG-installatie voor het specifieke merk en type voertuig als G3-gassysteem is toegelaten.
c. ten aanzien van onderdelen die ingevolge artikel 5.18 en 5.39 van de Regeling toelatingseisen een beperkte inbouwtermijn kennen moet worden vastgesteld dat deze termijn niet is verstreken;
d. ten aanzien van alle overige onderdelen moet worden vastgesteld dat ze aan de aan het specifieke onderdeel gestelde eisen, zoals vermeld in hoofdstuk 5, afdeling I, van de Regeling toelatingseisen voldoen;
e. alle onderdelen moeten worden gecontroleerd op eventuele beschadigingen.
4. Op het ingangscontrolerapport moet ten minste worden vermeld:
a. het merk, type en RDW-goedkeuringsnummer dan wel identificatiemerk van de in het derde lid, onderdeel a bedoelde onderdelen;
b. voor zover van toepassing, het merk en type van de in het derde lid, onderdeel b, bedoelde relevante onderdelen van de LPG-installatie en het voertuigtype zoals vermeld op de sticker;
c. de uiterste datum van inbouw van de in het derde lid, onderdeel c, bedoelde onderdelen.
5. Indien men beschikt over een schriftelijke overeenkomst met de leverancier, behoeven de in het vierde lid bedoelde gegevens slechts te worden vermeld bij elke 20ste ingebouwde LPG-installatie doch ten minste één keer per half jaar. In de overige gevallen kan worden volstaan met het afvinken van de desbetreffende onderdelen op het ingangscontrolerapport.
6. In de in het vijfde lid bedoelde schriftelijke overeenkomst moet de leverancier garanderen dat de door hem geleverde onderdelen, en waar van toepassing ook reeds samengestelde delen/systemen, voldoen aan de eisen gesteld ingevolge artikel 6.1en 6.7, tweede lid, van het Voertuigreglement, en de leverancier fabrikant of importeur is van LPG-onderdelen of LPG-installaties, dan wel als enige tussenleverancier zelf ook een dergelijke overeenkomst heeft met de fabrikant of importeur van LPG-onderdelen of LPG-installaties.
Een afschrift van deze overeenkomsten moet kunnen worden overgelegd.
7. Onderdelen waarvan nog niet is vastgesteld dat zij aan de daaraan gestelde eisen voldoen, moeten duidelijk als zodanig te herkennen zijn, doordat zij bij voorbeeld apart zijn opgeslagen.
2. Van de ingangscontrole moet een ingangscontrolerapport worden opgemaakt, waarvan het model is opgenomen in bijlage 4, welke moet worden ondertekend door de persoon die verantwoordelijk is voor de ingangscontrole.
3. De ingangscontrole moet op de volgende wijze geschieden:
a. ten aanzien van onderdelen die volgens artikel 5.2 en 5.3 van de Regeling toelatingseisen typegoedgekeurd moeten zijn, moet worden vastgesteld dat zij zijn voorzien van het vereiste identificatiemerk, dan wel dat zij zijn opgenomen in een daartoe door de RDW verstrekt overzicht;
b. ten aanzien van onderdelen die worden gemonteerd in voertuigen die moeten blijven voldoen aan het gestelde in het Besluit typekeuring motorrijtuigen luchtverontreiniging, moet worden vastgesteld dat, blijkens een door de RDW geautoriseerde verklaring, de informatie op de sticker overeenkomt met de relevante onderdelen van de LPG-installatie alsmede het desbetreffende voertuig. Bij G3-gassystemen moet deze controle plaatsvinden aan de hand van de bijgeleverde documentatie en moet met behulp van deze documentatie tevens worden vastgesteld of de LPG-installatie voor het specifieke merk en type voertuig als G3-gassysteem is toegelaten.
c. ten aanzien van onderdelen die ingevolge artikel 5.18 en 5.39 van de Regeling toelatingseisen een beperkte inbouwtermijn kennen moet worden vastgesteld dat deze termijn niet is verstreken;
d. ten aanzien van alle overige onderdelen moet worden vastgesteld dat ze aan de aan het specifieke onderdeel gestelde eisen, zoals vermeld in hoofdstuk 5, afdeling I, van de Regeling toelatingseisen voldoen;
e. alle onderdelen moeten worden gecontroleerd op eventuele beschadigingen.
4. Op het ingangscontrolerapport moet ten minste worden vermeld:
a. het merk, type en RDW-goedkeuringsnummer dan wel identificatiemerk van de in het derde lid, onderdeel a bedoelde onderdelen;
b. voor zover van toepassing, het merk en type van de in het derde lid, onderdeel b, bedoelde relevante onderdelen van de LPG-installatie en het voertuigtype zoals vermeld op de sticker;
c. de uiterste datum van inbouw van de in het derde lid, onderdeel c, bedoelde onderdelen.
5. Indien men beschikt over een schriftelijke overeenkomst met de leverancier, behoeven de in het vierde lid bedoelde gegevens slechts te worden vermeld bij elke 20ste ingebouwde LPG-installatie doch ten minste één keer per half jaar. In de overige gevallen kan worden volstaan met het afvinken van de desbetreffende onderdelen op het ingangscontrolerapport.
6. In de in het vijfde lid bedoelde schriftelijke overeenkomst moet de leverancier garanderen dat de door hem geleverde onderdelen, en waar van toepassing ook reeds samengestelde delen/systemen, voldoen aan de eisen gesteld ingevolge artikel 6.1en 6.7, tweede lid, van het Voertuigreglement, en de leverancier fabrikant of importeur is van LPG-onderdelen of LPG-installaties, dan wel als enige tussenleverancier zelf ook een dergelijke overeenkomst heeft met de fabrikant of importeur van LPG-onderdelen of LPG-installaties.
Een afschrift van deze overeenkomsten moet kunnen worden overgelegd.
7. Onderdelen waarvan nog niet is vastgesteld dat zij aan de daaraan gestelde eisen voldoen, moeten duidelijk als zodanig te herkennen zijn, doordat zij bij voorbeeld apart zijn opgeslagen.