BWBR0006746
Geldig vanaf 2001-06-02
Artikel 5.2.46
Voertuigreglement
1. Personenauto’s, in gebruik genomen na 19 oktober 2008, zijn niet voorzien van zijdelings gerichte zitplaatsen.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op ambulances, personenauto’s ten dienste van de politie of brandweer en andere door Onze Minister aangewezen categorieën voertuigen ten dienste van de burgerbescherming of ordehandhaving.
3. De zitplaatsen van personenauto’s moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Bij personenauto’s die na 30 september 1971 in gebruik zijn genomen, moeten:
a. verschuifbare zitplaatsen in elke mogelijke stand automatisch zijn vergrendeld,
b. verstelbare rugleuningen van zitplaatsen in elke mogelijke stand kunnen worden vergrendeld, en
c. de voorste zitplaatsen, indien zij scharnierend zijn, dan wel de rugleuningen van de voorste zitplaatsen, indien zij scharnierend zijn, in de normale stand automatisch zijn vergrendeld.
4. Onze Minister stelt regels vast met betrekking tot de deugdelijkheid van de bevestiging, bedoeld in het derde lid.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op ambulances, personenauto’s ten dienste van de politie of brandweer en andere door Onze Minister aangewezen categorieën voertuigen ten dienste van de burgerbescherming of ordehandhaving.
3. De zitplaatsen van personenauto’s moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Bij personenauto’s die na 30 september 1971 in gebruik zijn genomen, moeten:
a. verschuifbare zitplaatsen in elke mogelijke stand automatisch zijn vergrendeld,
b. verstelbare rugleuningen van zitplaatsen in elke mogelijke stand kunnen worden vergrendeld, en
c. de voorste zitplaatsen, indien zij scharnierend zijn, dan wel de rugleuningen van de voorste zitplaatsen, indien zij scharnierend zijn, in de normale stand automatisch zijn vergrendeld.
4. Onze Minister stelt regels vast met betrekking tot de deugdelijkheid van de bevestiging, bedoeld in het derde lid.