BWBR0006746
Geldig vanaf 2001-06-02
Artikel 2.2
Voertuigreglement
1. Onze Minister kan bepalen dat goedkeuring kan worden verleend, waarbij niet behoeft te worden voldaan aan de in hoofdstuk 3voor de betrokken categorie waartoe het voertuig behoort gestelde eisen, voorzover deze door Onze Minister zijn aangewezen, voor:
a. voertuigen die in een kleine serie als bedoeld in artikel 8 van richtlijn 70/156/EEG, artikel 15 van richtlijn 2002/24/EG of artikel 9 van richtlijn 2003/37/EG worden vervaardigd;
b. voertuigen waarvoor een goedkeuring voor een individueel voertuig wordt aangevraagd, als bedoeld in artikel 26, eerste lid, van de wet;
c. voertuigen die zijn vervaardigd voor een speciaal gebruiksdoel.
2. Voor het verlenen van goedkeuring aan de voertuigen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, wordt artikel 4 van richtlijn 70/156/EEGin acht genomen.
3. Onze Minister kan bepalen dat voor voertuigen waarin technologieën of concepten zijn verwerkt, die wegens hun specifieke aard niet aan een of meer van de voorschriften van EG-richtlijnen kunnen voldoen en waarvan bij de keuring niet kan worden vastgesteld dan wel slechts op termijn kan worden vastgesteld of aan de in hoofdstuk 3gestelde eisen wordt voldaan, tijdelijke goedkeuring kan worden verleend, waarbij niet behoeft te worden voldaan aan de in hoofdstuk 3voor de betrokken categorie waartoe het voertuig behoort gestelde eisen, voorzover deze door Onze Minister zijn aangewezen.
4. Onze Minister kan in de gevallen, bedoeld in het eerste en derde lid, nadere eisen stellen waaraan het voertuig moet voldoen.
a. voertuigen die in een kleine serie als bedoeld in artikel 8 van richtlijn 70/156/EEG, artikel 15 van richtlijn 2002/24/EG of artikel 9 van richtlijn 2003/37/EG worden vervaardigd;
b. voertuigen waarvoor een goedkeuring voor een individueel voertuig wordt aangevraagd, als bedoeld in artikel 26, eerste lid, van de wet;
c. voertuigen die zijn vervaardigd voor een speciaal gebruiksdoel.
2. Voor het verlenen van goedkeuring aan de voertuigen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, wordt artikel 4 van richtlijn 70/156/EEGin acht genomen.
3. Onze Minister kan bepalen dat voor voertuigen waarin technologieën of concepten zijn verwerkt, die wegens hun specifieke aard niet aan een of meer van de voorschriften van EG-richtlijnen kunnen voldoen en waarvan bij de keuring niet kan worden vastgesteld dan wel slechts op termijn kan worden vastgesteld of aan de in hoofdstuk 3gestelde eisen wordt voldaan, tijdelijke goedkeuring kan worden verleend, waarbij niet behoeft te worden voldaan aan de in hoofdstuk 3voor de betrokken categorie waartoe het voertuig behoort gestelde eisen, voorzover deze door Onze Minister zijn aangewezen.
4. Onze Minister kan in de gevallen, bedoeld in het eerste en derde lid, nadere eisen stellen waaraan het voertuig moet voldoen.