BWBR0006746
Geldig vanaf 2001-06-02
Artikel 3.5.44
Voertuigreglement
1. De in artikel 3.5.41, derde en vierde lid, bedoelde lichten en retroreflectoren moeten, met uitzondering van de kentekenplaatverlichting, niet lager dan 0,35 m en niet hoger dan 1,20 m boven het wegdek zijn aangebracht.
2. De in artikel 3.5.41, derde en vierde lid, bedoelde lichten en retroreflectoren moeten, met uitzondering van de kentekenplaatverlichting, symmetrisch ten opzichte van het midden van het voertuig zijn aangebracht.
3. De in artikel 3.5.41, derde lid, bedoelde grote lichten, dimlichten, stadslichten en niet-driehoekige rode retroreflectoren moeten niet verder dan 0,40 m van de zijkanten van het voertuig zijn aangebracht.
4. De richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten, achterlichten, remlichten en niet-driehoekige rode retroreflectoren, bedoeld in artikel 3.5.41, tweede, derde en vierde lid, moeten op een onderlinge afstand van ten minste 0,60 m zijn aangebracht, waarbij de afstand vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig niet meer dan 0,40 m mag bedragen.
5. De in artikel 3.5.41, vierde lid, bedoelde lichten en retroreflector moeten in afwijking van het bepaalde in het tweede, derde en vierde lid in het midden van het voertuig zijn aangebracht.
2. De in artikel 3.5.41, derde en vierde lid, bedoelde lichten en retroreflectoren moeten, met uitzondering van de kentekenplaatverlichting, symmetrisch ten opzichte van het midden van het voertuig zijn aangebracht.
3. De in artikel 3.5.41, derde lid, bedoelde grote lichten, dimlichten, stadslichten en niet-driehoekige rode retroreflectoren moeten niet verder dan 0,40 m van de zijkanten van het voertuig zijn aangebracht.
4. De richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten, achterlichten, remlichten en niet-driehoekige rode retroreflectoren, bedoeld in artikel 3.5.41, tweede, derde en vierde lid, moeten op een onderlinge afstand van ten minste 0,60 m zijn aangebracht, waarbij de afstand vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig niet meer dan 0,40 m mag bedragen.
5. De in artikel 3.5.41, vierde lid, bedoelde lichten en retroreflector moeten in afwijking van het bepaalde in het tweede, derde en vierde lid in het midden van het voertuig zijn aangebracht.