BWBR0005555
Geldig vanaf 2008-12-18
Artikel 3.17
Wet luchtvaart
1. Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan een bewijs van luchtwaardigheid voor een burgerluchtvaartuig schorsen, wanneer:
a. een ernstig vermoeden rijst dat het betrokken luchtvaartuig niet lichtwaardig is;
b. het desbetreffende luchtvaartuig niet meer in het register, bedoeld in artikel 3.3, is ingeschreven;
c. de houder van het betrokken luchtvaartuig dat luchtvaartuig niet overeenkomstig bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gestelde eisen onderhoudt of laat onderhouden, of
d. de houder van het betrokken luchtvaartuig anderszins het bij of krachtens dit hoofdstuk bepaalde niet nakomt.
2. Onze Minister van Infrastructuur en Milieu heft de schorsing op zodra de redenen van de schorsing zijn komen te vervallen.
3. Onze Minister van Infrastructuur en Milieu trekt een bewijs van luchtwaardigheid voor een burgerluchtvaartuig ambtshalve in, wanneer:
a. het type-certificaat met betrekking tot dat luchtvaartuig is ingetrokken;
b. ter verkrijging van het bewijs van luchtwaardigheid onjuiste gegevens zijn verstrekt, of
c. het betrokken luchtvaartuig onherstelbaar is beschadigd.
4. Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan een bewijs van luchtwaardigheid voor een burgerluchtvaartuig intrekken, wanneer:
a. het betrokken luchtvaartuig anders dan wegens onherstelbare beschadiging niet luchtwaardig is, of
b. het bewijs van luchtwaardigheid gedurende ten minste drie maanden is geschorst.
a. een ernstig vermoeden rijst dat het betrokken luchtvaartuig niet lichtwaardig is;
b. het desbetreffende luchtvaartuig niet meer in het register, bedoeld in artikel 3.3, is ingeschreven;
c. de houder van het betrokken luchtvaartuig dat luchtvaartuig niet overeenkomstig bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gestelde eisen onderhoudt of laat onderhouden, of
d. de houder van het betrokken luchtvaartuig anderszins het bij of krachtens dit hoofdstuk bepaalde niet nakomt.
2. Onze Minister van Infrastructuur en Milieu heft de schorsing op zodra de redenen van de schorsing zijn komen te vervallen.
3. Onze Minister van Infrastructuur en Milieu trekt een bewijs van luchtwaardigheid voor een burgerluchtvaartuig ambtshalve in, wanneer:
a. het type-certificaat met betrekking tot dat luchtvaartuig is ingetrokken;
b. ter verkrijging van het bewijs van luchtwaardigheid onjuiste gegevens zijn verstrekt, of
c. het betrokken luchtvaartuig onherstelbaar is beschadigd.
4. Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan een bewijs van luchtwaardigheid voor een burgerluchtvaartuig intrekken, wanneer:
a. het betrokken luchtvaartuig anders dan wegens onherstelbare beschadiging niet luchtwaardig is, of
b. het bewijs van luchtwaardigheid gedurende ten minste drie maanden is geschorst.