BWBR0005555
Geldig vanaf 2008-12-18
Artikel 3.2
Wet luchtvaart
1. De houder van een Nederlands luchtvaartuig voorziet het luchtvaartuig van:
a. een door Onze Minister van Infrastructuur en Milieu respectievelijk Onze Minister van Defensie vastgesteld nationaliteitskenmerk en een voor dat luchtvaartuig vastgesteld inschrijvingskenmerk; en
b. een bewijs van inschrijving in het register, bedoeld in artikel 3.3.
2. De kenmerken, bedoeld in het eerste lid, bestaan voor burgerluchtvaartuigen uit letters of cijfers of een combinatie van beide; zij worden op bij ministeriële regeling nader aan te geven plaats, wijze en uitvoering op het desbetreffende luchtvaartuig aangebracht.
3. Voor militaire luchtvaartuigen bestaat het nationaliteitskenmerk uit een afbeelding en het inschrijvingskenmerk uit letters of cijfers of een combinatie van beide; zij worden op bij ministeriële regeling nader aan te geven plaats, wijze en uitvoering op het desbetreffende luchtvaartuig aangebracht.
4. Onze Minister van Infrastructuur en Milieu respectievelijk Onze Minister van Defensie kan voor luchtvaartuigen, die naar zijn oordeel van historische waarde zijn, kenmerken toestaan, die van het eerste lid, onderdeel a, afwijken.
a. een door Onze Minister van Infrastructuur en Milieu respectievelijk Onze Minister van Defensie vastgesteld nationaliteitskenmerk en een voor dat luchtvaartuig vastgesteld inschrijvingskenmerk; en
b. een bewijs van inschrijving in het register, bedoeld in artikel 3.3.
2. De kenmerken, bedoeld in het eerste lid, bestaan voor burgerluchtvaartuigen uit letters of cijfers of een combinatie van beide; zij worden op bij ministeriële regeling nader aan te geven plaats, wijze en uitvoering op het desbetreffende luchtvaartuig aangebracht.
3. Voor militaire luchtvaartuigen bestaat het nationaliteitskenmerk uit een afbeelding en het inschrijvingskenmerk uit letters of cijfers of een combinatie van beide; zij worden op bij ministeriële regeling nader aan te geven plaats, wijze en uitvoering op het desbetreffende luchtvaartuig aangebracht.
4. Onze Minister van Infrastructuur en Milieu respectievelijk Onze Minister van Defensie kan voor luchtvaartuigen, die naar zijn oordeel van historische waarde zijn, kenmerken toestaan, die van het eerste lid, onderdeel a, afwijken.