BWBR0005555
Geldig vanaf 2008-12-18
Artikel 3.22
Wet luchtvaart
1. De houder van een Nederlands burgerluchtvaartuig, waarvoor een bewijs van luchtwaardigheid is afgegeven:
a. ziet er op toe, dat het luchtvaartuig zijn luchtwaardigheid behoudt, en
b. onderhoudt of laat het luchtvaartuig onderhouden overeenkomstig bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gestelde regels.
2. De houder van een Nederlands burgerluchtvaartuig dat is voorzien van een voortstuwingsinrichting ziet er op toe dat:
a. het luchtvaartuig blijft voldoen aan de geldende geluidseisen, en
b. het luchtvaartuig in de configuratie blijft waarvoor het geluidscertificaat of de geluidsverklaring is verleend.
3. Bij regeling van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan worden aangegeven in welke gevallen en onder welke voorwaarden een afwijking van beperkte duur van het bepaalde in het tweede lid, onder b, is toegestaan.
4. De houder van een Nederlands burgerlichtvaartuig, waarvoor een bewijs van luchtwaardigheid is afgegeven, volgt de door Onze Minister van Infrastructuur en Milieu gegeven aanwijzingen met betrekking tot de luchtwaardigheid op.
5. Onze Minister van Defensie ziet er op toe dat militaire luchtvaartuigen worden onderhouden overeenkomstig de daartoe gestelde eisen.
a. ziet er op toe, dat het luchtvaartuig zijn luchtwaardigheid behoudt, en
b. onderhoudt of laat het luchtvaartuig onderhouden overeenkomstig bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gestelde regels.
2. De houder van een Nederlands burgerluchtvaartuig dat is voorzien van een voortstuwingsinrichting ziet er op toe dat:
a. het luchtvaartuig blijft voldoen aan de geldende geluidseisen, en
b. het luchtvaartuig in de configuratie blijft waarvoor het geluidscertificaat of de geluidsverklaring is verleend.
3. Bij regeling van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan worden aangegeven in welke gevallen en onder welke voorwaarden een afwijking van beperkte duur van het bepaalde in het tweede lid, onder b, is toegestaan.
4. De houder van een Nederlands burgerlichtvaartuig, waarvoor een bewijs van luchtwaardigheid is afgegeven, volgt de door Onze Minister van Infrastructuur en Milieu gegeven aanwijzingen met betrekking tot de luchtwaardigheid op.
5. Onze Minister van Defensie ziet er op toe dat militaire luchtvaartuigen worden onderhouden overeenkomstig de daartoe gestelde eisen.