BWBR0005555
Geldig vanaf 2008-12-18
Artikel 8a.38
Wet luchtvaart
1. Met betrekking tot de financiering en de bekostiging van de kosten van de uitvoering van artikel 8.32wordt onder de naam «geluidsheffing burgerluchtvaart» een heffing geheven. Naast de geluidsheffing burgerluchtvaart wordt een heffing geheven ter financiering van de kosten van de uitvoering van artikel 8.33, alsmede de kosten van het Schadeschap Luchthaven Schiphol en van zijn uitspraken voor zover deze betrekking hebben op de uitvoering van <a href="/wet/BWBR0009989/artikel/9" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 9, eerste lid, tweede lid, onderdeel a, en de leden 3a, 3f en 3g, van de Gemeenschappelijke regeling Schadeschap Luchthaven Schiphol</a>dan wel van de opvolger van dit schadeschap belast met de behandeling van en de besluitvorming inzake een aanvraag als bedoeld in artikel 8.31.
2. De heffingen worden geheven ter zake van het landen met een burgerluchtvaartuig tot het tijdstip waarop de kosten als bedoeld in het eerste lid, zijn voldaan.
3. De heffingen worden geheven van de natuurlijke persoon of de rechtspersoon die als eigenaar of houder van een burgerluchtvaartuig dit te zijner beschikking heeft en dit onder zijn verantwoordelijkheid laat deelnemen aan het luchtverkeer. De natuurlijke persoon of rechtspersoon, bedoeld in de eerste volzin, is in ieder geval belanghebbende bij een uitspraak van het Schadeschap Luchthaven Schiphol als bedoeld in het eerste lid, tweede volzin dan wel de opvolger van dit schadeschap bedoeld in het eerste lid, tweede volzin.
4. De geluidsheffing burgerluchtvaart wordt geheven naar de geluidsproduktie van het burgerluchtvaartuig uitgedrukt in een aantal rekeneenheden. De geluidsproduktie wordt bepaald met toepassing van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen formules.
5. Het basistarief van de heffing per rekeneenheid geluidsproductie bedraagt in het jaar 2004 € 27,–. Het tarief van de heffing per rekeneenheid geluidsproductie wordt na 2004 met ingang van elk daarop volgend kalenderjaar verhoogd met € 1,–.
6. Het basistarief, bedoeld in het vijfde lid, wordt per rekeneenheid verhoogd met:
a. € 98,50 tot het jaar 2010;
b. € 40,– vanaf het jaar 2010, met dien verstande dat deze verhoging met ingang van elk daaropvolgend kalenderjaar wordt verhoogd met € 1,25.
7. Het tarief van de in het eerste lid, tweede volzin, bedoelde heffing bedraagt € 0,50 per ton van de maximale toegelaten startmassa van het luchtvaartuig.
8. Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan bij de toepassing van het eerste lid een deel van de kosten buiten toepassing laten indien toepassing, gelet op het belang van de burgerluchtvaart, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
9. De eigenaar of houder van een luchtvaartuig dient de ter bepaling van de geluidsheffing noodzakelijke gegevens ter beschikking van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu te stellen overeenkomstig door hem te geven regels.
2. De heffingen worden geheven ter zake van het landen met een burgerluchtvaartuig tot het tijdstip waarop de kosten als bedoeld in het eerste lid, zijn voldaan.
3. De heffingen worden geheven van de natuurlijke persoon of de rechtspersoon die als eigenaar of houder van een burgerluchtvaartuig dit te zijner beschikking heeft en dit onder zijn verantwoordelijkheid laat deelnemen aan het luchtverkeer. De natuurlijke persoon of rechtspersoon, bedoeld in de eerste volzin, is in ieder geval belanghebbende bij een uitspraak van het Schadeschap Luchthaven Schiphol als bedoeld in het eerste lid, tweede volzin dan wel de opvolger van dit schadeschap bedoeld in het eerste lid, tweede volzin.
4. De geluidsheffing burgerluchtvaart wordt geheven naar de geluidsproduktie van het burgerluchtvaartuig uitgedrukt in een aantal rekeneenheden. De geluidsproduktie wordt bepaald met toepassing van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen formules.
5. Het basistarief van de heffing per rekeneenheid geluidsproductie bedraagt in het jaar 2004 € 27,–. Het tarief van de heffing per rekeneenheid geluidsproductie wordt na 2004 met ingang van elk daarop volgend kalenderjaar verhoogd met € 1,–.
6. Het basistarief, bedoeld in het vijfde lid, wordt per rekeneenheid verhoogd met:
a. € 98,50 tot het jaar 2010;
b. € 40,– vanaf het jaar 2010, met dien verstande dat deze verhoging met ingang van elk daaropvolgend kalenderjaar wordt verhoogd met € 1,25.
7. Het tarief van de in het eerste lid, tweede volzin, bedoelde heffing bedraagt € 0,50 per ton van de maximale toegelaten startmassa van het luchtvaartuig.
8. Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan bij de toepassing van het eerste lid een deel van de kosten buiten toepassing laten indien toepassing, gelet op het belang van de burgerluchtvaart, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
9. De eigenaar of houder van een luchtvaartuig dient de ter bepaling van de geluidsheffing noodzakelijke gegevens ter beschikking van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu te stellen overeenkomstig door hem te geven regels.