BWBR0002869
Geldig vanaf 1973-03-14
Artikel 13
Eindexamenbesluit m.h.n.o.
1. Jaarlijks vóór 1 maart wijst Onze minister op voordracht van de inspecteur, bedoeld in artikel 14, eerste lid tweede volzin, per afdeling - met uitzondering van de afdelingvormingsklas - een commissie van gecommitteerden aan die met het toezicht op het centraal geregelde gedeelte van het eindexamen worden belast. Lid, tevens voorzitter van elke commissie is een door Onze minister aan te wijzen inspecteur.
2. Onze minister kan een instructie voor de gecommitteerde vaststellen.
3. De gecommitteerde ontvangt uit 's rijks kas vergoeding van reis- en verblijfkosten, alsmede voor zover zijn benoeming haar oorzaak niet vindt in het ambt dat hij bekleedt, vacatiegelden volgens door Onze minister te geven voorschriften.
4. De voorzitter en de leden van de examencommissie verschaffen de gecommitteerde de inlichtingen die hij voor de vervulling van zijn taak behoeft.
5. De gecommitteerde kan het schriftelijke en, voor zover mogelijk, het praktische werk opvragen bij de voorzitter van de examencommissie.
2. Onze minister kan een instructie voor de gecommitteerde vaststellen.
3. De gecommitteerde ontvangt uit 's rijks kas vergoeding van reis- en verblijfkosten, alsmede voor zover zijn benoeming haar oorzaak niet vindt in het ambt dat hij bekleedt, vacatiegelden volgens door Onze minister te geven voorschriften.
4. De voorzitter en de leden van de examencommissie verschaffen de gecommitteerde de inlichtingen die hij voor de vervulling van zijn taak behoeft.
5. De gecommitteerde kan het schriftelijke en, voor zover mogelijk, het praktische werk opvragen bij de voorzitter van de examencommissie.